zondag 17 oktober 2021

A Algemeen

Politieverhaal - 'Nachtmerrie'

Het is de derde nachtdienst op rij samen met mijn maatje Tim. Al enkele nachten is er in de wijk een inbreker actief die telkens op gezette tijden, met dezelfde werkwijze, huizen leegrooft.  Ook deze nacht worden we direct naar de wijk gestuurd voor een woninginbraak. Als we bij de woning aankomen treffen we op de voordeur, net als bij de eerdere inbraken, een schoenspoor aan. We stellen de sporen veilig en proberen de geschrokken bewoners gerust te stellen.

Na de afhandeling van de aangifte stappen we weer in de dienstauto, kijken elkaar aan en zeggen vastbesloten: ‘vannacht is hij van ons’ . Direct rijden wij dezelfde wijk weer in. Het begint zachtjes te regenen en door de schittering van de lantaarnpalen op de ruiten turen wij de straten af. Ik rijd stapvoets en kijk naar rechts als ik plotseling op een afstandje een donkere schim zie lopen.

Ik stuur de dienstauto de straat in om de achtervolging in te zetten, maar de straat loopt dood, dus springen we de auto uit. Zoals we eerder al tegen elkaar zeiden: ‘vannacht is hij van ons’. Niets zal dat in de weg staan. Ondertussen gaat het steeds harder regenen. Wij zijn al een half uur aan het zoeken in de stromende regen en doorweekt tot op onze onderbroek, maar geven niet op. Plotseling geeft mijn maatje een schreeuw over de portofoon. Ik ren naar hem toe en zie een geboeide verdachte op de grond liggen.

Terug op het bureau drogen we onze doorweekte kleding bij de kachel. We hebben een goed gevoel over de aanhouding, onze inbreker hebben we te pakken. De euforie duurt maar kort, want dan komt de meldkamer met een nieuw bericht: een overval op een woning, een slachtoffer moet gereanimeerd worden. We trekken de nog zeiknatte dienstkleding weer aan en rijden in de stilte van de nacht naar de woning.
We zijn nog niet uitgestapt als we gegil horen dat door merg en been gaat. Snel rennen we de tuin door, de woning in. Ondertussen scannen we de benedenverdieping, maar het gegil komt van boven. In de slaapkamer treffen we een vrouw in blinde paniek. Naast haar in bed ligt een vastgebonden man die geen enkele vorm van leven meer vertoont. Het lijkt wel een nachtmerrie.

Wij hebben geen tijd te verliezen en verbouwen de kleine slaapkamer om ruimte te maken voor de reanimatie. De ambulancebroeders zijn nu ook ter plaatse en sluiten aan. Met z’n vieren proberen wij het leven van de man te redden. Helaas hebben onze inspanningen geen effect. Daar zitten we dan met z’n vieren en het slachtoffer. Er valt geen woord, maar aan één blik hebben wij genoeg.

Enkele dagen later zit ik thuis op de bank en zap een beetje langs de tv-kanalen. Dan valt mijn oog op een foto van een slachtoffer dat wordt getoond. “Waar ken ik die man toch van?” Het blijkt het slachtoffer te zijn van de woningoverval, de man die ik enkele dagen daarvoor nog heb gereanimeerd. Een koude rilling loopt over mijn rug en de nachtmerrie komt weer terug.

Uiteindelijk zijn de daders van de gewelddadige woningoverval gepakt en berecht. De woninginbreker die wij van straat plukten werd uiteindelijk vrijgesproken, maar van inbraken in de buurt hadden wij voorlopig geen last meer.