dinsdag 22 juni 2021

A Algemeen

Politieverhaal - 'Een schaap reanimeren'

Wat politiewerk uniek maakt is dat je nooit weet waar de volgende melding over gaat. Regelmatig krijgen we in ons werk te maken met verwarde mensen. Ik heb er de afgelopen jaren tijdens mijn werk heel wat ontmoet. Ik hoop dat er een wending is gekomen in hun lot.


Een voorval kan ik me nog goed herinneren, al is het alweer heel wat jaren geleden. Samen met mijn collega krijg ik de opdracht om naar een bedrijf te gaan dat dode dieren verwerkt. In de hal van het bedrijf zou een man zitten die niet weg wil gaan.

Met onze politiebus rijden we er naar toe. Het is even zoeken op het grote destructieterrein, maar uiteindelijk vinden we een deur die toegang geeft tot een kantoor dat bij het bedrijf hoort. We gaan naar binnen en komen in een kleine wachtruimte met een balie waar een wat sjofel geklede man op een bankje zit.
Een medewerker van het bedrijf komt naar ons toe gelopen en steekt gelijk van wal: ‘Deze man wil niet weggaan. Hij wil naar één van de schapen die net door een vrachtauto is binnengebracht.’ De medewerker vertelt dat de man van plan is om één van de schapen te reanimeren en mond-op-mondbeademing te geven. Ondertussen is de wat sjofel geklede man opgestaan en loopt naar ons toe. ‘Ik kan het schaap beter maken, ik kan het schaap beter maken’, zegt hij vol vuur. Hij is er werkelijk van overtuigd dat hij het schaap kan redden, maar de blik in zijn ogen en zijn manier van praten zijn verward.

Even probeer ik me een voorstelling te maken van de reanimatie van een schaap dat al enige uren in de laadbak van een vrachtauto heeft gelegen met meerdere dode soortgenoten. Al snel kom ik tot de conclusie dat het de verwarde man niet gaat helpen en dat het misschien beter is om hem een lift aan te bieden richting de bewoonde wereld. Het kost ons enige overredingskracht om de man ertoe te bewegen met ons mee te gaan. Het bekertje koffie dat hij van de medewerker krijgt maakt dat hij wat tot rust komt. Uiteindelijk neemt hij plaats op de royale achterbank van onze bus. Zichtbaar opgelucht werpt de medewerker ons een dankbare blik toe en dan rijden we met onze passagier naar de stad.

‘Kunt u mij afzetten bij de volgende bushalte?’ klinkt het opeens vanaf de achterbank. Dit is uiteraard geen probleem. De man is verward maar hij lijkt geen gevaar voor zichzelf of zijn omgeving te zijn. Hij is, zoals het er nu naar uitziet, niet meer bezig met zijn reanimatieplan. Voor een rijtje woningen zien we de bushalte die de man bedoelt. We stoppen, openen de schuifdeur en helpen de man uitstappen. Hij bedankt ons voor de lift.

Bij het wegrijden zie ik opeens een weiland vol met schapen, dat recht tegenover de bushalte ligt. ‘Heb je gezien waar we hem hebben afgezet’ zeg ik tegen mijn collega. Mijn collega kijkt me verbaasd aan. ‘Nee, hoezo? Wat bedoel je?’ Ik vertel hem wat me zojuist is opgevallen.
Na het afhandelen van de volgende melding rijden we toch maar even terug naar de plek waar de verwarde man vanmiddag is uitgestapt. Maar de man zien we niet meer en de schapen staan allemaal gezond op hun pootjes.

Wat zou de volgende melding ons brengen?