zaterdag 18 september 2021

A Algemeen

Politieverhaal - 'Thuisbezorgd'

Op dit moment werk ik thuis en beantwoord telefoontjes van mensen die met het servicenummer (0900 8844) van de politie bellen. Ik rond net een emotioneel gesprek af met een vrouw die haar minderjarige zoon kwijt is, als beneden in de hal de deurbel klinkt. “Ik doe niet open”, denk ik. Ik ben aan het werk.

Maar de bel blijft klingelen, dus het zal wel dringend zijn. Ik zet mijn status van mijn telefoon op ‘niet beschikbaar’ en ren de trap af. Buiten op de stoep staat een voor mij onbekende oude dame. Ze hangt een beetje krom over haar rollator. Ik schat haar rond de tachtig.
‘Ik kom voor de dagbesteding.’ Ze kijkt mij glazig aan. ‘Oh jee’, reageer ik verbaasd. ‘Dat is hier niet’. ‘Jawel, want het staat op de deur om de hoek.’ Ze wijst en vertelt dat ze zojuist door een taxibusje op de hoek is afgezet. Over twee uur wordt ze weer opgehaald.

Ik denk razendsnel na. Aan onze achterdeur hangt een poster waarop te lezen is dat cliënten van een dagbesteding ergens anders in de stad, een tentoonstelling houden met kunstwerken die ze zelf hebben gemaakt. Ik begrijp de verwarring, maar heb ook geen idee waar in mijn directe omgeving de dagbesteding voor mevrouw te vinden is.

‘Het spijt me mevrouw, maar ik kan u niet helpen. Ik ben een particulier. Er is hier geen dagbesteding.’
‘Toch wel’, houdt mevrouw vol.
Ik kijk naar haar. Onder haar niet al te dikke jas draagt ze iets wat lijkt op een pyjama. Ik zie haar blote sleutelbeen en een stukje van haar decolleté. Het is geen optie om deze dame met haar rollator aan haar lot over te laten en het is buiten ook nog eens rond het vriespunt. Bovendien heb ik de indruk dat mevrouw door dementie de greep op de werkelijkheid aan het verliezen is.

‘Komt u maar even binnen’, besluit ik. ‘Dan gaan we even uitzoeken waar u moet zijn.’ Ik ondersteun haar als ze de twee treden van de portiek moet beklimmen en til daarna haar rollator naar binnen. Aan het stuur bungelen twee tasjes en in het mandje ligt een flesje water. Ik zie nu ook dat ze op sloffen loopt. Ik zet haar op mijn bank en ren naar boven om mijn leidinggevende even op de hoogte te brengen van deze wonderlijke gebeurtenis. Mijn telefoonstatus gaat op haar verzoek op ‘naar huis’.

‘Hoe heet u mevrouw?’ vraag ik, eenmaal weer beneden. ‘Jet’, zegt ze buitengewoon helder. ‘Wat leuk dat ik nu eens bij u binnenkom.’
Ik vraag naar haar achternaam en haar adres. Ze weet het me allemaal feilloos te noemen en ze blijkt te wonen in een verzorgingstehuis aan de andere kant van de stad. Ik pak mijn telefoon en bel de receptie. De dame aan de lijn kent mevrouw niet en verbindt me door met de verpleging. De verpleegkundige die ik aan de lijn krijg kent mevrouw wel. Ze vraagt me om de telefoon aan mevrouw te geven en ik hoor ze vervolgens samen praten.
‘Was je weer op stap Jet?’
Mevrouw geeft giechelend antwoord. Ondertussen komt het niet tot een oplossing hoe ze weer thuiskomt. Ik vraag mijn telefoon terug.
De verpleegkundige bevestigt dat mevrouw woont waar ze zegt dat ze woont. Ze stelt voor om een busje te bellen, maar geeft daarbij aan dat het misschien wel twee uur duurt voor het busje daadwerkelijk bij mij kan zijn.

Ik laat mijn ongenoegen doorschemeren en zeg dat ik een particulier ben die aan het werk is. Ik kan mevrouw niet nog twee uur lang bezighouden. Ik overweeg even om de collega’s van de surveillancedienst in te schakelen, maar het risico zit erin dat ik ook op hun komst moet wachten.
‘Goed’, zeg ik beslist, ‘als het allemaal zo lang moet duren, dan breng ik haar zelf wel naar huis.’ Ik zie dat de dame blij is met het bericht en ik zet me over de ergernis heen. We zijn op de wereld om elkaar te helpen, nietwaar?
Ik help mevrouw overeind. Mijn hand omsluit haar broze bovenarm. Samen dalen we de twee treden van het portiek weer af en ik zet de rollator voor haar op de stoep. ‘Gaat u even zitten, ik haal de auto.’

Mevrouw doet braaf wat ik zeg. Omdat ik midden in de stad woon, staat de auto op zo’n honderd meter van mijn huis. Ik trek een sprintje, ook omdat mevrouw nu met haar pyjamaatje weer in de kou zit. Ik rij voor, help haar in de auto en leg de rollator in de kofferbak.
‘Nou mevrouw’, zeg ik onderweg. ‘U hebt nu wel een verhaal om te vertellen hoor.’ ‘Ik had het best willen missen’, zegt ze, ‘want nu mis ik mijn dagbesteding. Maar ik vind het zo leuk dat ik een keer bij jou binnen ben geweest.’
Bij het verzorgingstehuis parkeer ik voor de deur en help ik mevrouw met uitstappen. Als ik wegrijd, zwaait ze naar me. Ze oogt nog kleiner dan daarvoor.

Thuis ren ik de trap op. Ik meld me aan voor het werk en zet de telefoon weer op ‘beschikbaar’ en ga direct in gesprek met iemand die last heeft van een paar blaffende honden bij de buren. Life goes on…

Als ik er zo over nadenk, dan ben ik al die tijd eigenlijk gewoon aan het werk geweest. Hulp verlenen aan haar die het behoeft en dat dan helemaal in de lijn van corona. De politie werkt niet alleen thuis. We doen zelfs aan thuisbezorgd.nl.