woensdag 23 juni 2021

A Algemeen

Politieverhaal - 'De begraafplaats'

Ik heb nachtdienst, een dienst die toch altijd net dat beetje extra heeft. Het is donker en stil op straat en ik heb het idee dat sommige meldingen net even wat anders zijn, gewoon omdat het donker is. Maar, ik hou ervan.

Goed, nachtdienst dus…. De mobilofoon kraakt en ik krijg een melding waarbij ik mij afvraag of ik in de maling word genomen, of dat het misschien een valse melding is.
“Of u wilt gaan naar de begraafplaats aan de x-straat. Daar hoort de melder gegil en gekrijs van kinderen, wat door merg en been gaat. Melder lijkt ook iets te zien wat op kaarslicht lijkt.”

Nu ben ik niet bang aangelegd, en ook een begraafplaats vind ik doorgaans geen hele spannende plek. Ik vind een begraafplaats vaak wel iets moois hebben. Maar deze melding, in het holst van de nacht…daar voel ik me toch een beetje onbehagelijk bij.
Inmiddels zijn er nog een paar telefoontjes over het gegil op de begraafplaats bij ons binnengekomen. Mensen die in de buurt wonen bellen ons nu allemaal tegelijk. Erop af.

Nou, daar sta ik dan, voor het imposante, ruim honderd jaar oude gietijzeren hek. In het zwakke licht van de straatverlichting zijn een paar grafzerken zichtbaar. En inderdaad, ik hoor het nu ook. Duidelijk zelfs, gegil en gejammer, ergens hier vlakbij. Het is een grote begraafplaats en ik kan het geluid niet exact lokaliseren. Dus mijn collega en ik klimmen over het hek. Mijn maatje gaat rechtsom, ik linksom. De begraafplaats is groot, erg groot. Met verschillende bomen, perkjes, bosschages, graven voorzien van beelden en ornamenten.

Enigszins gespannen loop ik verder de duisternis in, de grafzerken bestuderend, kort verlicht door mijn zaklamp.
En dan, ergens helemaal achterin zie ik de bron van het geluid. Twee mannen staan rondom een zerk. Ik zie ook het geflikker van kaarslicht. Gecombineerd met het gegil en gejammer van de twee zorgt dit voor een bizar tafereel. Wat is hier aan de hand?
Ik roep mijn maatje en samen lopen op het duo af. We beschijnen de personen met onze zaklampen en roepen dat we van de politie zijn. De mannen blijven staan en houden hun handen omhoog. Zij zijn verblind door onze lampen en doen wat we van ze vragen.

Achteraf blijkt het te gaan om twee criminelen, ‘zware jongens’ van de georganiseerde misdaad. Het zijn broers van elkaar. Ze staan bij het graf van hun moeder en zijn kennelijk zo verdrietig dat ze luidkeels staan te huilen. Ze steken symbolisch wat siervuurwerk af en hebben een paar kaarsen rondom het graf aangestoken.
Ik leg de mannen uit dat ze met hun gedrag behoorlijk wat onrust in de wijk veroorzaakt hebben. Ze krijgen een proces-verbaal en moeten het terrein verlaten. Omdat ze geen straf meer open hebben staan, zijn ze vrij om te gaan. Ze werken netjes mee, bieden hun excuses aan en vragen of ze het adres van de melder mogen om hun excuses aan te bieden. Ik zeg hen dat wij dat namens de politie wel zullen doen. En zo keert de rust weer terug op de begraafplaats.