vrijdag 16 april 2021

A Algemeen

Politieverhaal - 'Patatje oorlog'

Als wijkagent wist ik bijna alle namen van de jongeren in mijn wijk. Ik sprak ze op straat aan en kende daardoor hun thuissituatie, geboortedatum en telefoonnummer. Inmiddels werk ik ergens anders bij de politie, maar het volgende verhaal blijft me altijd bij. Ik ging tijdens een dienst langs een bekende hangplek in mijn wijk. Acht jongeren zitten rond een picknicktafel. Ik schuif aan en word hartelijk begroet, maar zie dat er overal troep en afval ligt. Je struikelt over de patatbakjes en blikjes. We praten over van alles en nog wat en ik spreek ze aan op de gemaakte rommel. Ze beloven me dat ze de troep op zullen ruimen.

De maandag erop ga ik langs bij een geschrokken Paula, leidinggevende in een kinderdagverblijf in dezelfde wijk, vlakbij de hangplek. ‘Bart, moet je kijken wat er is gebeurd.’ Ik loop met haar mee en zie dat een raam van het kinderdagverblijf met mayonaise en pindasaus is dichtgesmeerd. ‘Shit’, denk ik bij mezelf. Dat is niet de bedoeling.

‘De jeugd heeft geen respect voor de politie’, zegt Paula kwaad. Ik vertel haar dat ik duidelijke afspraken met de jongeren heb gemaakt. Dat ze mij tot nu toe nog niet hebben teleurgesteld. ‘Bart, neem van mij aan: ze spelen met je. Ze lachen je uit.’ Ik ben het niet met haar eens, maar beloof dat ik er achteraan ga.
Ik ga bij mijzelf na: wie van de jongeren die ik ken heb ik patat zien eten dit weekend? Ik weet het niet meer. Dan besluit ik Jelle te bellen, een van de jongeren die er zaterdag ook was. Zijn vader heeft een schoonmaakbedrijf.

‘Jelle, ik ben teleurgesteld’, zeg ik. ‘Vandaag was ik bij Paula van het kinderdagverblijf en het was daar een zooitje. Ik weet niet precies wie het heeft gedaan en hoef dat ook niet te weten. Als het een grap is, wil ik dat jij de verantwoordelijkheid op je neemt en ervoor zorgt dat het raam weer helemaal schoon wordt. Ik heb jullie verdedigd tegenover Paula, maar die is nog niet overtuigd. Jullie hebben nu de kans om mij gelijk te geven… of Paula.’
Ik voeg nog toe dat ik niet op de loer ga liggen, maar dat ik wil dat het raam de dag erna brandschoon is. Jelle antwoordt stoer dat hij zal kijken wat hij kan doen.
De volgende ochtend rijd ik, nog voor ik langs het bureau ga, in mijn eigen auto langs het kinderdagverblijf. Ik hoop zó dat ze me niet in de steek hebben gelaten. Hoe dichter ik bij het kinderdagverblijf kom, hoe langzamer ik ga rijden. Heeft Jelle voldoende overwicht gehad op de groep? Zal het raam schoon zijn? Hebben ze mijn vertrouwen geschaad of juist niet?

Ik stap uit en loop om het kinderdagverblijf heen. Op de vroege ochtend fluiten de vogels mij al tegemoet. Als ik de hoek om loop, zie ik het meteen: het raam is super schoon. Sterker nog: zo schoon is het nog nooit geweest. En dat niet alleen. Ik zie dat ook de andere ramen zijn schoongemaakt en blinken. Trots en lachend loop ik terug naar mijn auto en rijd ik verder naar het bureau.
Een paar uur later bel ik Jelle. Ik bedank hem en complimenteer hem voor de extra schoonmaakbeurt. Ook vraag ik of ze daar voorlopig even uit de buurt willen blijven. Hij stemt toe.

Wat later loop ik Paula tegen het lijf. Ik kan dan natuurlijk zeggen: ‘Zie je wel dat je beeld over de jeugd niet klopt. Ja, ze halen wel eens wat uit. Maar ze nemen ook hun verantwoordelijkheid. Zie je wel dat ik gelijk heb.’ Maar dat is niet nodig. Onze blikken vinden elkaar. Ik groet haar vriendelijk met mijn duim omhoog. En ik krijg een vriendelijke glimlach en een duim omhoog terug.