Laatst zat ik helemaal alleen op een bankje waar ik niet vaak zit. Vlak bij het standbeeld van de Wassende Dame. De Baadster. U weet wel. Die mevrouw met opgetrokken rok in de Pauwvijver, alsof ze elk moment kan zeggen:
“Zo… dat lucht op.”
(Voor de niet-kunstkenners onder ons: In de National Gallery in Londen hangt een schilderij van Rembrandt, Badende jonge vrouwuit 1635. Model: zijn vrouw Hendrickje Stoffels. Beeldhouwster Carla Rutgers nam dat schilderij als voorbeeld voor het beeld in onze vijver. En omdat het beeld in het water staat, krijg je er spiegeling bij. Extra betekenis, zeggen ze dan. Bron: Beeldend Wassenaar.)
De winter had het water tot rust gemaand. Geen fontein. Geen gespetter.
Geen opspattende ambities.
Het was zondag 8 februari 2026. Zo’n dag waarop half Wassenaar ineens buiten loopt en je denkt: ja, dít dus. Achter het raadhuis De Paauw, dat van binnen binnenkort volledig wordt opengetrokken, vond ik een bankje. Dat mocht ook wel, want zoals jullie weten, beste lezers: ik heb iets met bankjes. Ik laat ze zelden onbezet achter. In de verte werden foto’s gemaakt van een partij die het hart in hun logo hebben. Het zag er heel mooi uit.
De zon deed haar best om haar stralen eerlijk te verdelen. Mijn ogen zakten even dicht bij het aanschouwen van zoveel moois. Misschien was het daarom dat mijn gedachten even weg zakte. In mijn hoofd hoorde ik water klateren dat er niet was. Druppels. Gedachten. Meningen. Ideeën.

Ze vielen in de vijver en maakten kringen.
Grote.
Kleine.
Boze.
Voorzichtige.
Net een inspraakavond. Maar dan zonder microfoon.
En zo moest ik terugdenken aan de commissievergadering Bestuur en Middelen van dinsdag 3 februari 2026. Over de voorgenomen bouw in de Van Rechterenstraat. Bouwen. Niet bouwen. Hoog. Laag. Te hoog. Net te laag. En vooral: niet in mijn achtertuin, dank u wel.
Wat mij vooral opviel: Insprekers waren niet met stomheid geslagen. Integendeel. Niet op hun mondje gevallen. Goed van de tongriem gesneden. Niet voor één gat te vangen.
Spreekwoorden uit mijn jeugd. Ingehamerd door meesters en juffen op de lagere school — toen zaten er trouwens nog geen meisjes bij mij in de klas, maar dat is weer een ander verhaal. Je moest een grote woordenschat hebben. Dan stond je later niet meteen met je mond vol tanden als grote mensen iets tegen je zeiden.
Bestuurlijk ramptoerist
En grote mensen, die zaten daar genoeg. Dat alles noemen we tegenwoordig participatie. Vroeger heette dat gewoon: “Kom effe zitten, dan luister ik.”
Nu heb je fases. Schema’s. Startnotities. Eerste proeves. En mensen van Royal Haskoning DHV die toetsen of je mening wel beleidsneutraal aanvoelt. Alsof je eerst een keuring nodig hebt voordat je iets mag vinden.
Ik zal eerlijk zijn: ik ben de afgelopen weken een soort bestuurlijke ramptoerist geworden. Niet uit sensatiezucht, maar omdat je in Wassenaar geen ommetje meer kunt maken of je struikelt over een visie.
Een Omgevingsvisie.
Een Participatiedocument.
En voor je het weet zit je tot aan je klompen in de Omgevingswet.
En daar zit je dan. Sam Babbel. Geboren tussen de weilanden. Opgegroeid in een volksbuurt met weinig privacy maar met veel verhalen.
En ineens gaat het niet meer over waar de schapen lopen, maar waar de toekomst heen moet.
Die Omgevingsvisie klinkt als iets waarvoor je eerst een bril met extra sterkte nodig hebt. Maar lees ’m langzaam. Met een kop koffie. Een beschuitje. Bikkie aan je voeten. Dan denk je ineens:
Hé… wacht eens even… dit gaat gewoon over ons.
En terwijl ik daar zo zat met mijn oogjes dicht, met dat beschuitje half verkruimeld op mijn knie en Bikkie verscholen onder m’n benen, dacht ik ineens: Hebben we dit niet eerder gedaan?
Ja hoor. Dat hadden we. Al in 2015.
Toen heette het nog geen Omgevingsvisie, maar gewoon: De Toekomstvisie Wassenaar 2025.
Gemaakt met inwoners. Ondernemers. Verenigingen. Mensen met dromen, stiften en flap-overs. Avonden vol goede bedoelingen en koffie uit kannen die nooit helemaal leeg raakten.
Daarin stond niet hoe hoog een flat mocht worden of waar precies een stoeptegel zou komen. Nee, daarin stond wie we wilden zijn.
Ons DNA, noemden ze dat toen al. Alsof Wassenaar onder een microscoop lag.
Acht thema’s
Wassenaar is een dorp met allure.
Wassenaar is een groene parel.
Wassenaar is duurzaam.
Wassenaar is zorgzaam en veilig.
Wassenaar is energiek en ondernemend.
Wassenaar is mobiel en bereikbaar.
Wassenaar is goed wonen en
Wassenaar is evenwichtig.
Ik zie ze nog voor me, als bordjes voor een puzzelroute in het vrije bosje van Pallandt. (Voor degenen die dat niet weten: ingeklemd tussen de Storm van ‘s Gravesandeweg en de Katwijkseweg).
Tien jaar later, lopen we weer over datzelfde pad. Alleen zijn de woorden dikker geworden. De schema’s strakker. Maar de vraag is nog steeds dezelfde:
Wat voor dorp willen we zijn?
En daar wringt soms iets. Want bij elk bouwplan hoor ik tegenwoordig dezelfde toverspreuk:
“Meer groen.”
“Groene versterking.”
“Groen wordt ingepast.”
Dat klinkt prachtig. Bijna alsof bomen spontaan harder gaan groeien van beton. Maar wie, zoals ik, met klompen in de modder is opgegroeid, weet:
als je iets volbouwt, wordt het niet groener.
Dat is geen mening. Dat is gewoon rekenen.
Kijk maar naar oude kaarten. Wassenaar is in de afgelopen decennia voller geworden. Steeds een beetje. Steeds ten koste van groen. En wat eenmaal weg is, komt zelden terug. Dat is geen doemdenken. Dat is ervaring.
Gedonder in de tent
Neem Van Rechteren.
Negen huisjes eruit.
Achtenveertig woningen erin.
Vier lagen hoog.
Sociaal. Nodig.
Op papier klopt het allemaal.
En meteen: gedonder in de tent. Boze buurtbewoners. Applaus in de raadszaal dat niet mocht. Zuchten die wél mochten. Commissieleden die vroegen of er ‘nog een laagje af kon’. Alsof je bij de bakker zegt: “Die taart is prima, maar kan-ie iets minder feestelijk?”
De één riep: “Mijn privacy!”
De ander: “De woningnood!”
En ergens daartussen probeerde de voorzitter orde te houden, alsof ze een kruiwagen vol kikkers door de raadszaal moest manoeuvreren.
Ik snap ze allemaal. De bewoners. De Wassenaarse Bouwstichting. De wethouder. Zelfs de raadsleden die overal iets van willen vinden.
Wat ik lastiger vind, is dat we elkaar soms pas horen als het al knettert.
En Van Rechteren staat niet alleen. De Jozefschool en de Sint-Jan-Baptistschool samen ergens, men weet ‘nog’ niet waar. En de achtergelaten plekken? Het gezondheidscentrum, een nieuwe wordt gebouwd maar blijft de ander? Het gemeentekantoor, er komt een nieuw maar waar? Geen idee. Steeds weer schuiven met vierkante meters. Alsof groen een restpost is die je achteraf nog even gladstrijkt.
En precies dáár zie je waarom die Omgevingsvisie geen papieren tijger is, maar een noodzaak. Want als je eerst samen afspreekt wat voor dorp je wilt zijn: groen, historisch, inclusief, bereikbaar. Dan hoef je niet bij elk project opnieuw te doen alsof het een derby is tussen SV Wassenaar en RKsv Blauw-Zwart in de vorige eeuw.
Dan is de vraag niet meer: “Wat vind ík?”
Maar: “Past dit bij wat we samen hebben afgesproken?”
Dat vraagt geduld. En vertrouwen.
Twee dingen die schaars zijn.
Maar als het lukt, krijg je er iets voor terug: een gezamenlijk verhaal. Niet van het gemeentehuis, maar van Wassenaar. Van jong tot oud. Van villa tot eengezinswoning. Van inspreker tot stille lezer.
Niet omdat je vooraf zegt: tot hier en niet verder.
Maar omdat je zegt: dit is ons dorp. Zo hebben we het samen bedoeld.
Want participatie is niet alleen meepraten als de bouwtekening al af is. Participatie is ook durven zeggen:
“Dit past niet meer bij wat we samen wilden.”
Wassenaar is geen stad. Het is een dorp dat toevallig erg gewild is. En dat maakt beschermen soms moeilijker dan bouwen.
Dus ja, we hebben woningen nodig.
Maar we hebben ook groen nodig.
Niet als rekentruc.
Maar omdat het klopt.
En misschien, als we écht luisteren naar wat we al eens samen hebben opgeschreven, dan hoeven we niet bij elk plan te doen alsof het water ineens begint te koken.
En misschien, heel misschien, zitten we over een paar jaar weer bij de Pauwvijver. Met de Wassende Dame. Met kringen in het water. En weten we:
Dit hebben we eerder besproken.
Zoals mijn vader zei, terwijl hij met z’n stok langs een slootkant liep:
“Je kan veel plannen maken, jongen. Maar als je het groen vergeet, raak je het dorp kwijt.”
Sam Babbel










