Skip to content
Wassenaarders aan het woord

Sam Babbel over de sport in Wassenaar en de rarigheden van het voetbal

Avatar foto
Sam Babbel
26 juni 202611 minute read
Beeld: redactie Wassenaarders.nl

Luister… dit mag je niemand vertellen.
Het begint allemaal met een stapel papier op mijn keukentafel. Niet zomaar een stapel hoor, nee, zo’n stapel waar je in een gemiddelde Wassenaarse villa probleemloos een complete winter de open haard mee brandend houdt. Ik kreeg het in mijn handen gedrukt. “Hé Sam, ik heb wat voor je. Ik weet dat je van sport houdt, maar je hebt nog geen enkele keer iets geschreven over de sport in Wassenaar. Alsjeblieft. Ik heb het al een tijdje in mijn bezit, maar wil het niet in de blauwe bak deponeren. Misschien heb jij er wat aan.” Kreeg ik van mijn goede vriend Henk, die door de jaren heen zijn sporen in het Wassenaarse ruimschoots heeft verdiend. Hij kwam langs voor een bakkie en tegelijkertijd overhandigde hij me de Sportvisie Wassenaar 2025.

Ik ben er gek op. Vierendertig pagina’s dik:
Grafieken.
Pijlers.
Ambities.
Inclusiviteit.
Toekomstbestendige accommodaties.
Gezonde verenigingen.
Een openbare ruimte die uitnodigt tot bewegen.
Ik ben er voor gaan zitten. Snapt u de tegenstelling?

Sam Babbel

Nou… als je dat allemaal leest krijg je spontaan zin om in trainingspak door de Langstraat te gaan joggen alsof je net bent geselecteerd voor Oranje. Maar dat ga ik op mijn leeftijd niet meer doen. Overigens had Bikkie er na drie pagina’s al genoeg van. Die lag onder tafel te snurken alsof hij een raadsvergadering bijwoonde. Ik hield het iets langer vol. Want sport in Wassenaar ligt mij na aan het hart. En eerlijk is eerlijk: het staat er allemaal prachtig in:

Sport moet verbinden.
Meer mensen moeten bewegen.
Kinderen moeten vaker buiten spelen.
Verenigingen moeten toekomstbestendig worden.
Prachtige woorden. Alleen is er één klein probleem. Centen.
Want Wassenaar geeft al jaren ongeveer vijfentwintig euro per inwoner minder uit aan sport dan gemiddeld in Nederland. Vijfentwintig euro klinkt als twee bitterballen en een pilsje op een terras aan de Langstraat, maar met ruim achtentwintigduizend inwoners praat je toch over een slordige zes ton per jaar. Structureel.
En tóch staan we met z’n allen te applaudisseren voor een sportvisie die ongeveer even realistisch is als polsstokhoogspringen zonder stok. Wassenaars Sportcontact roept zelfs dat ze er honderd procent achter staan. Nou vraag ik je.
Hoe kan je honderd procent achter een plan staan waar geen geld voor is? Dat is alsof je zegt dat je de Tour de France gaat winnen op een elektrische fiets van de Aldi. Maar goed.

Blauw-Zwart

Terwijl ik uit het raam keek moest ik ineens denken aan vroeger. Aan sport in Wassenaar zoals sport bedoeld was. Toen RKsv Blauw-Zwart en SV Wassenaar nog gewoon tweede klasse KNVB speelden. Toen De Schulpwei en sportpark Kerkehout vol stonden. Toen je op zondagmiddag héél Wassenaar tegenkwam langs het veld. En als Blauw-Zwart tegen Wassenaar speelde…Nou jongen…Dan stond heel het dorp op scherp. Dat was ongeveer hetzelfde als nu Spakenburg tegen IJsselmeervogels.
Blauw-Zwart speelde nog niet zo lang geleden in de vierde klasse. Het weekend van eind mei werd echter een dieptepunt in de geschiedenis van de Blauwen: degradatie naar de vijfde klasse. Natuurlijk zal er van buitenaf de nodige kritiek klinken van mensen die het beter denken te weten. Mensen die zeggen dat ze het zagen aankomen, omdat er op het terrein naast voetbal ook veel sociale activiteiten plaatsvinden. Nou én? Als iemand het echt beter weet, waarom staat die persoon dan niet op om de schouders eronder te zetten? Maar dat gebeurt niet.

Degradatie klinkt hard, maar ik heb in de loop der jaren genoeg verenigingen zien terugkomen van een diep dal. Ik heb er dan ook alle vertrouwen in dat dit bij Blauw-Zwart eveneens zal gebeuren. Natuurlijk zal er intern het nodige worden geëvalueerd en nabesproken.

De jeugd komt eraan, zegt men. Maar hoe houd je die jeugd vast? Hoe zorg je ervoor dat jongens en meisjes niet vertrekken naar grotere clubs of helemaal afhaken? Dat zijn vragen waar tegenwoordig vrijwel iedere vereniging mee worstelt. In alle geledingen is goed opgeleid kader nodig. En dat kader moet vervolgens ook behouden blijven voor de club.

Kijk naar vroeger: de Rooie Buurt en Kerkehout. Kinderrijke wijken, waar vrijwel iedereen lid was van Blauw-Zwart of Wassenaar. Zo simpel kan het soms zijn. En komen er zulke buurten terug in Wassenaar. Ik mag het hopen. Het streven is er naar om 1.000 nieuwe woningen te bouwen.

Overigens geldt de teloorgang niet alleen voor het voetbal. Het zet zich ook in et zet zich ook inHbij de grote hockeyclubs zoals HGC en de Kieviten.
Ik wijt het aan de vergrijzing in  Wassenaar. Er worden nauwelijks huizen gebouwd voor starters en ouderen blijven langer hangen in hun eengezinswoning waardoor van doorstroming nauwelijks sprake is. Geen nieuwe huizen waar  gezinnen kunnen  worden gesticht. Kinderen die later lid worden bij de voetbal- of hockeyvereniging. Zo simpel is het. Kijk naar vroeger: de Rooie Buurt en Kerkehout. Kinderrijke buurten en allemaal lid van Blauw Zwart of Wassenaar. Zo simpel is het!

Terug naar de sport

Bij SV Wassenaar is er plaats voor Bee Ball, soft- en honkbal en nog een klein beetje voetbal met één team in de 7/7 competitie. Maar… er al een tijd sprake van huizenbouw waardoor er ingeleverd gaat worden. Bij Blauw Zwart is het voetbal wat de klok slaat. Het draait uitsluitend allemaal om voetbal. De club is stevig verankerd in de regio en heeft een uitgebreid programma met teams voor alle leeftijden. De complexen van SV Wassenaar en RKsv Blauw Zwart liggen er schitterend bij Dat de complexen er zo goed bij liggen komt niet door de gemeente. Dat komt door vrijwilligers. Door sponsoren. Door mensen die ’s morgens lijnen trekken, bardienst draaien en ’s avonds als laatste het licht uitdoen.

Dat zijn de echte kampioenen van de sport. Niet de mannen en vrouwen die beleidsnota’s presenteren met een schaal bittergarnituur erbij.

En weet u wat ik nou zo typisch Wassenaar vind? Dat je hier op één zaterdagmorgen ongeveer de complete samenleving tegenkomt. En dat zouden er veel meer moeten zijn. Bij HGC lopen kinderen met hockeysticks rond alsof ze ermee geboren zijn. Op De Kievieten wordt fanatiek getennist door mensen die elkaar al dertig jaar kennen.
Bij WZK liggen ze in alle vroegte al op het water terwijl ik dan nog bezig ben mijn tweede boterham met oude kaas naar binnen te werken. Bij Olympia wordt gezweet, bij Snel en Lenig gesprongen en geklommen, en op de voetbalvelden zie je vaders en moeders die ooit zelf speelden nu langs de lijn staan bij hun kinderen en kleinkinderen. Dat is het mooie van Wassenaar.
Een dorp waar mensen elkaar soms drie weken niet spreken, maar elkaar op zaterdagmorgen direct herkennen aan een trainingsjack van twintig jaar oud.
“Hoe gaat het?”
“Goed joh.”

En dan volgt er een gesprek van een half uur.
Sport is hier eigenlijk een soort dorpsplein geworden. Misschien wel belangrijker dan menige vergaderzaal in Huize De Paauw. Want op een sportclub maakt het niet uit of je directeur bent, stratenmaker, advocaat, ondernemer of gepensioneerd nachtwaker.
Als de koffie op is, moet iemand nieuwe halen. Je merkt hooguit het verschil als er een rondje bier wordt gehaald.
Dat is de ware democratie van Wassenaar.

En toch blijft Wassenaar een bijzonder sportdorp. Je kunt hier hockeyen, voetballen, zwemmen, turnen, badmintonnen, zeilen, tennissen, fitnessen en nog veel meer. Clubs waar generaties Wassenaarders zijn grootgebracht. En weet u wat het mooie is? Sport draait uiteindelijk helemaal niet om winnen. Dat denkt men wel. Zeker tegenwoordig.
Maar sport draait om samenkomen.
Om trainers die bijna iedere avond klaarstaan.
Om ouders langs de lijn.
Om kinderen die leren verliezen.
Om vrijwilligers die het hek openen.
Om de man of vrouw achter de bar die iedereen kent.
Dat is de echte sportvisie van Wassenaar.

Niet die vier pijlers op papier. Maar honderden mensen die vrijwillig hun tijd in een club steken. Maar ondertussen verandert er iets. Steeds meer mensen sporten alleen.
Hardlopen. Fietsen. Fitnessen. Wandelen.
Geen contributie. Geen vrijwilligersdienst. Geen natte zaterdag langs het veld.
En precies daar zit de pijn voor verenigingen. Want dezelfde mensen draaien al twintig jaar bardienst, fluiten jeugdwedstrijden en sjouwen stoelen tijdens clubavonden. En tóch blijven ze komen. Dat is clubliefde. Dat zie je niet terug in een beleidsrapport. Maar goed…
Alsof sport in Wassenaar nog niet ingewikkeld genoeg is, komt straks natuurlijk ook weer die complete voetbalzomer eraan.

De terreur van de sportzomer

Voetbal.
Wielrennen.
Tennis.
Formule 1.

Laat ik me in deze column beperken tot het voetbal. Voor moeders die niet van voetbal houden: wees gewaarschuwd. Nog vóór je bekomen bent van een nabeschouwing krijg je alweer drie voorbeschouwingen, twee analyses en een oud-voetballer die met een stalen gezicht uitlegt dat de linksback meer in de as moet spelen. Vroeger noemden we dat gewoon: “Hij stond verkeerd.”
Maar voetbal blijft prachtig. Alleen zitten er tegenwoordig wel wat rarigheden aan vast. Neem nou dat toneelspel. Bij iedere lichte overtreding zie je volwassen kerels over het gras rollen alsof ze zojuist zijn geraakt door een kruisraket.
Saltomortales.
Doodsstrijd.
De Stervende Zwaan.

En dan komt daar ineens de wonderspons. Eén kneep in zo’n natte spons. Een beetje water uit een plastic zak. En wonder boven wonder herrijst de speler uit zijn as alsof Lourdes persoonlijk is langsgekomen. Na tien seconden sprint hij weer als een jachtluipaard over het veld. Ik verdenk ze er nog steeds van dat er naast water ook paardenbalsem in die spons zit.
En dan het worstelen bij corners. Trekken. Duwen. Vasthouden. Als je dat in een judohal doet krijg je strafpunten. Maar op het voetbalveld heet het slim verdedigen.
En niet vergeten, want ik zag het onlangs nog gebeuren: drie minuten voor tijd deelde een midvoor een linkse directe uit aan zijn tegenstander. Niet goed te praten. Maar het gebeurde wel. Boksen op het voetbalveld.
Wat ook prachtig is: de gebaren. Iedere vrije trap lijkt tegenwoordig op morsetaal. Spelers steken armen omhoog, zwaaien wild in het rond en wijzen naar plekken waar de bal vervolgens totaal niet terechtkomt. Ik dacht altijd dat ze familie op de tribune zagen zitten.
Ik vroeg het eens aan mijn kleinzoon, die tegenwoordig in het beloftenteam van een betaaldvoetbalorganisatie speelt. Maar ook hij bleef het antwoord schuldig.
“Ik weet het niet, opa.” Hij wist het niet. Of hij wilde het mij niet uitleggen.
En dan heb je nog het beroemde papiertje van de trainer. Dan moet nummer acht ineens links staan in plaats van rechts. Dat heet tegenwoordig een nieuw systeem. Vroeger heette dat gewoon: “Joh, ga dáár eens staan.”

En ondertussen lopen complete beschilderde totempalen over het veld. Tatoeages overal. Vroeger hadden alleen zeelieden een anker op hun arm. Nu lijkt het soms alsof de complete spelersbus rechtstreeks uit een kleurboek komt gereden. Ook mijn kleinzoon is tegenwoordig op zijn rechterbovenbeen voorzien van een heuse leeuw. Jort Kelder zou zeggen: “Zo heurt het niet.” Maar misschien hoort het inmiddels juist wél zo. En toch…Ondanks al die rarigheden..Blijft voetbal de mooiste bijzaak van het leven.
Omdat het mensen verbindt.
Omdat een heel dorp kan juichen om één doelpunt.
Omdat kinderen nog steeds dromen van een vol sportpark.
Omdat vrijwilligers iedere week opnieuw klaarstaan.
En omdat sport uiteindelijk nooit draait om rapporten, miljoenencontracten of tactische analyses.
Maar om mensen.

Misschien moeten ze in het gemeentehuis eens wat minder sportvisies schrijven en wat vaker op zaterdagmorgen langs de verenigingen lopen.
Gewoon een rondje maken. Een praatje met de vrijwilligers. Een kop koffie drinken in de kantine. Dan zien ze meteen waar de sport in Wassenaar werkelijk draait.
Niet om papier.
Niet om pijlers.
Niet om beleidsdoelen.
Maar om mensen.

Toen ik dat allemaal zat te bedenken keek ik onder tafel. Bikkie lag nog steeds op die sportvisie te slapen. Met zijn kop precies op het hoofdstuk:
“Toekomstbestendige sportaccommodaties.”
Ik denk dat hij een punt heeft.
Want zolang vrijwilligers bardienst draaien, kinderen achter een bal aanrennen en ouders op zaterdagmorgen koffie drinken langs het veld of in de sporthal, komt het met sport in Wassenaar uiteindelijk wel goed.

Maar tussen ons gezegd en gezwegen:
een beetje meer financiële hulp…
een beetje minder papier…
en een beetje meer actie…
zou ook geen kwaad kunnen.

Bikkie snurkte inmiddels zo hard dat ik even dacht dat hij was benoemd tot wethouder sportzaken.
Maar goed. Dat mag u dus niemand vertellen.

Sam Babbel

Deel dit artikel
Tags
ColumnSam BabbelWassenaar
Gerelateerde artikelen

Geen reacties

Back To Top