Luister… dit mag je eigenlijk niemand vertellen…
Van de week zat ik weer met Bikkie op een bankie. Krant onder mijn arm, koffie mee en Bikkie languit naast me alsof hij persoonlijk verantwoordelijk was voor de bewaking van heel Wassenaar. Ik sloeg de krant open en dacht: daar gaan we weer.
De coronaprik komt eraan; de Peumokokken als je een bepaalde leeftijd hebt bereikt en ook nog de griepprik. Als je een beetje op leeftijd bent, krijg je tegenwoordig meer uitnodigingen uit de gezondheidszorg dan voor verjaardagen.
Bikkie keek me aan. “Jij weer?” “Ja jongen. Baasje mag waarschijnlijk weer.” Hij zuchtte. Of hij gaapte. Bij Bikkie is dat verschil moeilijk te zien. En dan begint natuurlijk het grote gesprek.
“Ga jij?”
“Nee hoor!”
“Waarom niet?”
“Ik heb op internet gelezen…”
O jee.
Als iemand een zin begint met “Ik heb op internet gelezen”, zet ik tegenwoordig eerst mijn koffie stevig neer. Want voor je het weet krijg je een medische verhandeling van iemand die gisteren nog niet wist waar zijn alvleesklier zat.
De één zegt dat je onmiddellijk moet gaan. De ander dat je absoluut niet moet gaan. Een derde kent iemand wiens buurvrouw na de prik drie dagen last had van haar linker grote teen. En nummer vier heeft al veertig jaar geen griep gehad omdat hij iedere ochtend een rauwe ui eet. Dat kan natuurlijk. Maar misschien blijft iedereen door die ui gewoon een beetje uit zijn buurt.

Vroeger was het eenvoudig
Ik moest ineens denken aan vroeger. Kleuterschool. Korte broek. Knieën vol korsten. Snotneus. En dan kwam de schoolarts. Witte jas. Metalen koffertje. Dan wist je genoeg. Geen website. Geen QR-code. Geen Facebookgroep. Geen zes deskundigen aan een talkshowtafel. Er werd maar één ding gezegd:
“Arm bloot.” En je deed je arm bloot. Prik erin. Pleistertje erop. Naar huis.
Moeder keek ernaar, gaf er desnoods een kus op en zei:
“Zo. Over.”
En wonder boven wonder: dan wás het ook over.
Later, bij de marine, werd het nog mooier. Daar hadden ze naalden waarmee je volgens mij ook een lekke reddingsboot kon repareren. Pokken, tetanus en afhankelijk van waar je heen moest nog het een en ander. En stiekem hoopte je na zo’n prik een beetje beroerd te worden. Niet ernstig natuurlijk. Net genoeg voor twee heerlijke woorden: lichte dienst.
Kijk, dát noemden wij vroeger een bijwerking met voordelen.
Maar tegenwoordig krijgen we informatie
En daar is natuurlijk niets mis mee. Integendeel. Wij willen tegenwoordig weten wat er met ons gebeurt. Wat zit er in die prik? Waarom krijg ik hem? Wat zijn de mogelijke bijwerkingen? Kan het samen met mijn medicijnen? Allemaal heel verstandige vragen. Alleen begint daarna het volgende probleem.
De bijsluiter
Kent u dat prachtige velletje papier dat in een doosje medicijnen zit? Je trekt het eruit en het blijft maar komen. Een soort medische landkaart die door iemand is opgevouwen die wereldkampioen origami moet zijn geweest. Eenmaal open krijg je hem nooit meer terug in dat doosje. En dan moet je hem lezen. Dat begint al goed, want de letters zijn meestal zo klein dat je eerst moet controleren of er bij het medicijn toevallig ook een vergrootglas wordt meegeleverd. Dan lees je:
“Gebruik dit middel niet als u allergisch bent voor een van de bestanddelen.”
Heel verstandig.
Maar als ik dat middel nog nooit gebruikt heb, hoe weet ik dan dat ik er allergisch voor ben? Even verder komen de nierproblemen, leverproblemen, problemen met de bloedsomloop en aandoeningen waarvan Sam Babbel na drie keer lezen nog steeds niet weet of het ziekten zijn of plaatsnamen in Zuid-Limburg. En vervolgens bereik je het hoofdstuk: Mogelijke bijwerkingen.
Daar moet je als mens een beetje sterk voor in je schoenen staan. Je begon met één kwaaltje, maar na het lezen van de bijsluiter heb je voor je gevoel ineens twaalf ziekten, drie afwijkingen en nog ongeveer vier dagen te leven. Bikkie heeft daar geen last van. Die krijgt van de dierenarts een pilletje verstopt in een stukje worst. Hap, slik, weg. Misschien moeten ze dat voor ouderen ook eens invoeren.
En wie bepaalt eigenlijk wat ik slik?
Want daar komt nog iets bij. Je zou denken: de dokter kent mij, onderzoekt mij en schrijft vervolgens het medicijn voor dat hij of zij het beste vindt. Maar dan komt de zorgverzekeraar om de hoek kijken. Die heeft soms een voorkeur voor een bepaald merk medicijn. Niet noodzakelijk omdat het doosje mooier is, maar omdat geneesmiddelen met dezelfde werkzame stof in prijs kunnen verschillen. En dan wordt het voor Sam ingewikkeld. Want aan de ene kant begrijp ik best dat we met z’n allen op de kosten van de gezondheidszorg moeten letten. Als twee middelen hetzelfde doen en het ene kost aanzienlijk minder, hoef je geen financieel genie te zijn om te begrijpen waarom daar naar gekeken wordt. Maar aan de andere kant zit daar wel een patiënt. Geen polisnummer. Geen regel in een computerbestand. Een mens. En die kan soms ervaren dat het ene middel nét anders uitpakt dan het andere. Dan wil ik toch graag dat mijn dokter en apotheker daar serieus naar kunnen kijken. Daarom vind ik gezondheidszorg zo’n wonderlijke wereld geworden.
We mogen zelf onze huisarts kiezen. We mogen vragen stellen. We mogen een tweede mening vragen. We krijgen folders, websites en bijsluiters.
Vrijheid – blijheid.
Totdat de rekening om de hoek komt kijken. Dan blijkt vrijheid soms ineens een kleine letter onderaan de polisvoorwaarden te zijn.
En dan de Katwijkse ziekte…
Over gezondheid gesproken: ik kwam ook iets tegen waarvan ik aanvankelijk dacht dat iemand mij in de maling nam. De Katwijkse ziekte. Die bestaat echt. De officiële naam is Dutch Cerebral Amyloid Angiopathy, D-CAA. Een zeldzame erfelijke aandoening waarbij eiwit zich ophoopt in de wanden van bloedvaten in de hersenen. Daardoor kunnen die bloedvaten kwetsbaar worden en hersenbloedingen ontstaan.
De naam verwijst naar families met wortels in Katwijk en omgeving waarin deze erfelijke aandoening voorkomt.
Toen ik dat las, hield zelfs Sam Babbel even zijn mond. Want daar valt niets aan te lachen. Er wordt onderzoek naar gedaan en laten we hopen dat dit uiteindelijk leidt tot betere behandeling of voorkoming van de gevolgen. Wij Wassenaarders plagen onze Katwijkse buren graag een beetje en andersom gebeurt precies hetzelfde. Want dat gebeurt regelmatig op het bankje op de hoek van de Van Bronckhorstlaan. Maar bij zoiets geldt maar één ding: heel veel succes met dat onderzoek. Zo. Heb ik dat ook eens gezegd. Niet verder vertellen natuurlijk.
Dokter Google
Terug naar onze prikken en pillen. Wij leven in een merkwaardige tijd. Artsen en wetenschappers weten steeds meer. Ziekten die vroeger nauwelijks behandeld konden worden, zijn tegenwoordig soms te voorkomen of beter te behandelen. Maar tegelijkertijd lijkt ons vertrouwen kleiner te worden.
We willen bewijs. Prima.
We willen uitleg. Nog beter.
Maar als ome Henk op Facebook schrijft: “DIT HOUDEN ZE VOOR ONS VERBORGEN!!!” dan wordt het bericht zonder bijsluiter, bronvermelding of apotheker onmiddellijk 327 keer doorgestuurd. Begrijp me goed: kritisch zijn mag. Sterker nog: kritisch zijn moet soms.
Vraag wat een vaccin doet.
Vraag waarom u een bepaald medicijn krijgt.
Vraag naar mogelijke bijwerkingen.
Vraag waarom de apotheek ineens een ander doosje meegeeft dan vorige maand.
Maar stel die vragen vooral aan iemand die ervoor heeft geleerd:
Uw huisarts.
Uw specialist.
Uw apotheker.
Niet aan een meneer die vanuit zijn auto een filmpje maakt terwijl hij met één hand zijn telefoon vasthoudt en met de andere een broodje bal eet.
Sam beslist uiteindelijk zelf
En dan komt straks die uitnodiging.
“Ga jij?”
“Ik weet het nog niet.”
“Vorig jaar geweest?”
“Ja.”
“Last gehad?”
“Beetje zere arm.”
Nou, ik kan u vertellen: op mijn leeftijd heb ik ’s morgens weleens een zere arm zonder dat iemand erin geprikt heeft. Dus daar schrik ik niet meer van. Sam Babbel gaat niemand vertellen wat hij of zij moet doen. Uiteindelijk gaat het om uw eigen lichaam en uw eigen gezondheid. Maar zelf doe ik het zo: ik lees wat ik begrijp, vraag wat ik niet begrijp en luister naar mensen die ervoor hebben geleerd. En als ik tot de doelgroep behoor en de dokter zegt: “Babbel, mouw omhoog”, dan gaat die mouw omhoog. Ik kijk nog steeds de andere kant op. Dat wel. Want hoeveel jaren levenservaring je ook hebt, zodra iemand met een naald aankomt, zit dat jongetje van de kleuterschool nog altijd ergens in je verstopt.
Ik vouwde mijn krant dicht.
“Kom Bikkie, we gaan.” Hij stond op, rekte zich uit en keek me aan.
“Jij hebt makkelijk praten,” zei ik. “Jij krijgt geen brief van het RIVM, hoeft geen polisvoorwaarden te lezen en jouw bijsluiter zit gewoon in een stukje worst.”
Hij kwispelde.
En terwijl we naar huis liepen dacht ik: Misschien is dát wel de gezondheidszorg van tegenwoordig. Eerst prikken. Dan slikken. Vervolgens de bijsluiter lezen. Daarna de zorgverzekeraar begrijpen. En tenslotte vooral zelf blijven nadenken.
En mocht ik na die prik een dagje niet op mijn bankie zitten, dan noem ik dat gewoon, geheel in de traditie van mijn diensttijd: lichte dienst.
Kom Bikkie. Koffie. En denk eraan:
Voorkomen is vaak een stuk aangenamer dan genezen.
Maar dit verhaal over die naald, die bijsluiter en mijn lichte dienst… dit mag je natuurlijk niemand vertellen.
Sam Babbel









