“Je zit eigenlijk opgesloten.” De woorden vallen halverwege het gesprek aan de keukentafel in Wassenaar. Niet boos of dramatisch, maar alsof ze na jaren zorgen vanzelf zijn gaan klinken. Voor dit gezin draait het leven al lange tijd om Clint, een 26-jarige man met epilepsie die intensieve begeleiding nodig heeft. Zijn moeder is dag en nacht alert. Zijn zus en broer springen bij waar nodig. Want een aanval kan ieder moment komen.
Een passende woonplek is er nog steeds niet. En juist daarom raakt de discussie over kleinschalige woonzorgvoorzieningen in Wassenaar dit gezin zo direct. Voor hen gaat het niet over procedures of politieke discussies, maar over iets veel persoonlijkers: hoe Clint veilig én zo zelfstandig mogelijk verder kan leven.
Een leven dat volledig om zorg draait
Overdag gaat het goed. Clint werkt vijf dagen per week op een zorgboerderij, iets waar hij zichtbaar gelukkig van wordt. Hij helpt met dieren verzorgen, maakt schrikdraad en vindt rust in de vaste structuur van het werk. “Dat vindt hij prachtig,” vertelt zijn moeder. “Daar leeft hij echt van op.”
Maar zodra hij thuis is, begint de voortdurende alertheid opnieuw.
Zijn epilepsie maakt dat hij nooit alleen kan zijn. Zelfs ’s nachts blijft er spanning. Een aanval kan plotseling komen, soms met harde vallen tot gevolg. Zijn moeder hoort direct aan een klap in huis wat er aan de hand is. “Dan schrik je meteen,” zegt ze. “Je denkt gelijk: daar gaat-ie.”
Even spontaan weggaan zit er nauwelijks in. Geen avondwandeling terwijl Clint slaapt. Geen spontaan etentje of bioscoopbezoek. Vakanties draaien om prikkels vermijden en op tijd rust nemen. Drukke plekken zijn vaak te veel.
“Alles draait eigenlijk om hem,” zegt zijn zus. “Dat doen we met liefde, maar je cijfer jezelf wel helemaal weg.”
Dat gevoel wordt sterker nu de jaren beginnen te tellen. Zijn moeder is 63 en merkt dat de zorg fysiek zwaarder wordt. Onlangs kreeg Clint thuis nog een aanval waarbij hij hard tegen een kast viel. “Dan pak ik hem meteen vast en ga ik mee naar de grond,” vertelt ze. “Maar hij is een grote jongen. Dat houd je niet eeuwig vol.”
Meer dan alleen een woning
Clint staat al sinds zijn achttiende ingeschreven bij verschillende zorginstellingen. Toch woont hij acht jaar later nog thuis.
Dat betekent niet dat hij ongelukkig is, benadrukt het gezin meerdere keren. Clint kan genieten van kleine dingen, maakt makkelijk contact en voelt zich prettig op de zorgboerderij waar hij werkt. Maar tegelijk zien ze ook hoe klein zijn wereld is geworden.
In het weekend fietst hij wat rond of zit thuis. Veel leeftijdsgenoten om zich heen heeft hij niet. Soms zoekt hij contact via sociale media, maar daarin is hij kwetsbaar. Een paar keer maakten anderen misbruik van foto’s die hij stuurde. “Hij loopt soms echt met zijn ziel onder zijn arm,” zegt zijn zus.
Een eigen woonplek zou daarom volgens het gezin veel meer betekenen dan alleen professionele begeleiding.
Ze dromen niet van iets groots of ingewikkelds. Juist van gewone dingen: samen koken, een gezamenlijke woonkamer, spelletjes doen met andere jongeren, begeleiding dichtbij en een eigen kamer waar hij zich veilig voelt.
“Hij hoort bij jonge gasten,” zegt zijn moeder. “Niet alleen thuis op de bank bij mij.”
Tegelijkertijd beseffen ze dat begeleid wonen ook voor Clint spannend is. Eerder bezocht het gezin woonlocaties waar hij uiteindelijk zei: “Dat wil ik niet.” Zijn moeder begrijpt die twijfel. “Het is voor hem natuurlijk ook een enorme stap,” zegt ze. “Hij weet niet beter dan dat hij thuis is.”
Toch hopen ze dat hij uiteindelijk een plek vindt waar hij zich thuis gaat voelen. Zijn zus zag het eerder bij een andere jongen met een beperking die eerst absoluut niet uit huis wilde. Nu wil hij nooit meer terug.
“Dat gun je hem ook,” zegt ze. “Dat hij straks zegt: ik zit hier goed.”
Onbegrip van buitenaf
Wat het gezin misschien nog wel het meest raakt, is het gebrek aan begrip dat ze soms ervaren wanneer plannen voor zorgwoningen ter sprake komen.
Meerdere initiatieven voor begeleid wonen strandden de afgelopen jaren door bezwaren of weerstand uit de omgeving. De moeder vertelt zichtbaar geraakt hoe iemand ooit sprak over “stomme mongolen” toen er plannen waren voor een woonvoorziening in het dorp.
“Dan denk ik: waarom?” zegt ze. “Mijn kind heeft toch ook gewoon recht op een woning?”
Volgens het gezin zien veel mensen alleen het idee van een zorginstelling, maar niet de werkelijkheid daarachter. Geen overlast, maar jongeren die begeleiding nodig hebben en zo normaal mogelijk willen leven.
“De mensen die bezwaar maken, weten vaak helemaal niet hoe het echt is,” zegt zijn zus. “Ze hebben geen idee wat gezinnen jarenlang dragen.”
Die onwetendheid voelt soms pijnlijk. Zeker omdat het gezin weet dat Clint niet de enige is. Volgens hen wachten veel gezinnen in stilte op dezelfde zoektocht: een veilige plek dichtbij huis.
‘Dat moet toch kunnen?’
De afgelopen tijd probeert het gezin actiever achter woonplekken aan te gaan. Meer bellen, vaker navragen, hulp inschakelen. Inmiddels krijgen ze ondersteuning van een cliëntondersteuner die meedenkt over mogelijke plekken in de regio.
Want wachten alleen blijkt niet genoeg. Ondanks alles overheerst aan tafel geen boosheid, maar vooral vermoeidheid en hoop. Hoop dat Clint uiteindelijk een plek vindt waar hij zichzelf kan zijn. Dicht bij zijn vertrouwde omgeving, het liefst in Wassenaar of vlak daarbuiten.
Zijn moeder kijkt even de kamer rond voordat ze zacht zegt: “Ik wens hem gewoon een gelukkig leven. Met mensen om hem heen die bij hem passen. Dat moet toch kunnen?”









