Hè… hè… eindelijk was het weer eens van dien aard dat ik het aandurfde richting Rijksdorp te gaan. Zonnetje erbij, beetje schrale wind, jas dicht maar niet helemaal. Dat soort weer waarbij je denkt: vandaag gebeurt er wat. En geloof me… dat gebeurde ook.
Ik kwam daar op het bankie aan de van Bronckhorstlaan weer een paar Katwijkers tegen. Altijd goed volk hoor, zolang ze maar niet beginnen over nieuwe haring want die is er nog niet en de Katwijkse ziekte (daar kom ik nog wel een keer op terug).
Tot mijn niet geringe verbazing zat daar óók ineens mijn oude vriend Jan de Deugd. Zo heet ie niet echt, maar zo noem ik hem. Filosoof van beroep. Fietst overal heen. Verschijnt plotseling alsof ie uit de mist komt opduiken en verdwijnt daarna weer alsof ie nooit bestaan heeft. Nou, Jan begint natuurlijk meteen: “Wonderen zijn de wereld nog niet uit, Sam,” zegt ie, na een hartelijke begroeting. En dan weet ik genoeg. Het was niet alleen als hartelijk welkom bedoeld maar ik weet, dat er altijd iets achteraan komt.
Hij begint over een vis die volgens wetenschappers al 66 miljoen jaar uitgestorven was. “Echt, een zeevis die 66 miljoen jaren geleden is uitgestorven wordt ineens weer aangetroffen voor de kust van Zuid-Afrika.” Zo begint zijn verhaal. “Daar loop ik dan lang over na te denken weet je dat. Daar snap ik nou helemaal niets van. Niemand was erbij toen de laatste vis 66 miljoen jaar geleden dood ging. Hoe komen ze erbij om zo’n beest het etiket ‘uitgestorven’ op te plakken?” “Nee, geen idee” zeg ik. Maar hij gaat meteen door. “Misschien is het afgesproken door wetenschappers”, gaat Jan verder. “Je weet wel. Jaren geleden hadden een aantal van die wetenschappers op een mooie avond een etentje georganiseerd. Tijdens het natafelen kwam de fles ijskoude Korenwijn op tafel. Toen die leeg was zeiden ze tegen de ober: Ach, doe er nog maar eentje.’t Is zo gezellig hier. Na zes flessen werden die wetenschappers toch een beetje ondeugend. Ze zeiden met een dubbele tong tegen elkaar: we moeten nog wat.

Nog even een wetenschappelijke dienst bewijzen. Iets waar de normale mensen lang over na moeten denken. Hi, hi, ik weet wel wat, zei de jongste tegen de oude secretaris. Dan schrijf jij dat de Coelacanten zijn uitgestorven. Kunnen ze toch niet controleren. Ze sloegen gierend van het lachen allemaal met hun lege glas op tafel en zongen eendrachtig hun wetenschappelijke clublied. Dat altijd eindigde met hetzelfde refrein: ‘Kijk, zo hebben wij als wetenschappers de mensheid weer geholpen.’ De volgende morgen schreef de wetenschappelijke secretaris een mooi persbericht, dat direct de wereld werd ingestuurd. Maar ja wat was de naam van de vis? Ik had het uitgezocht en gelijk op een briefje geschreven.”
Na enig rommelen in zijn broekzak komt er een beduimeld briefje te voorschijn. Met een oud timmermanspotlood (inderdaad zo’n lompe rode met een stomp puntje) stond er iets opgeschreven. ‘Coelacant’. “Zo heet ie”, zegt Jan. “Het behoort tot de familie kwastvinnige vissen. Die soort is al sinds het Krijttijdperk uitgestorven. Nou, mooi van niet. De laatste jaren zijn er 5 van die levende Coelacanten aan verschillende kusten van Afrika aangetroffen. Dus niks uitgestorven. Ze leven nog.”
Wij zaten daar met open mond te luisteren. En terwijl Jan wegfietste dacht ik ineens: Dat gebeurt in Wassenaar eigenlijk óók. Want soms verklaren ze hier dingen die langzaam zijn uitgestorven… terwijl ze nog gewoon leven. Ruimte. Het dorpse gevoel. De randen van het dorp. Iedereen doet soms alsof dat vanzelf blijft bestaan. Maar ondertussen wordt er aan alle kanten aan getrokken. En dáár begint het verhaal van de Noordrand.
De randen van het dorp
Kijk… je hebt Wassenaar. Mooi dorp. Niks mis mee. Beetje groen. Beetje chic.
Beetje ‘doe maar gewoon maar dan wel in een vrijstaande woning’. Maar wie denkt dat het alleen maar villa’s en heggetjes zijn… die moet eens naar de randen kijken. Dáár gebeurt het.
De Oostkant
Aan de oostkant liggen de Papenwegse en Zuidwijksche polders. Daar waait de wind nog zoals de wind dat zelf wil. Daar staan Ooievaars naast elkaar te bespreken waar ze het kind gaan brengen. Daar kijken koeien je aan alsof zij het bestemmingsplan persoonlijk hebben goedgekeurd. En eerlijk? Dat hebben ze eigenlijk ook. Alleen tegenwoordig is niks meer gewoon weiland. Daar lopen ineens studenten rond met drones, tablets en ideeën. Die zeggen dingen als: “Wij willen de biodiversiteit versterken.” Waarop boer Koos denkt: ‘Dat is prachtig jongen… maar ik wil gewoon droge voeten en gezonde koeien.’ En daar tussenin schuift dan de gemeente.
Samen met natuurclubs.
Samen met oude landgoedeigenaren.
Samen met beleidsmakers die woorden gebruiken als ‘landschappelijke kwaliteit’.
Dan weet je genoeg. Want het gevaar ligt op de loer dat Wassenaar straks prachtig blijft… maar langzaam stilvalt. Een soort openluchtmuseum. Mooi om naar te kijken. Maar dood als een pier als je er nog iets wil dóen.
De Noordrand
En dan heb je de Noordrand. Dat is geen randje meer hoor. Dat is een compleet slagveld. Maar dan met:
⦁weilanden
⦁vogels
⦁bewonersavonden
⦁beleidsnota’s
⦁participatieavonden
⦁en koffie in kartonnen bekertjes
Daar proberen ze alles tegelijk. Boeren moeten kunnen boeren. Vogels moeten kunnen vliegen. Mensen moeten kunnen wandelen. En ondertussen moet er ook nog gebouwd worden. Dat noemen ze dan: ‘Duin, Horst & Weide.’ Klinkt prachtig. Alsof je meteen een glas witte wijn wil bestellen. Maar probeer dat maar eens uit te leggen aan iemand die z’n uitzicht dreigt kwijt te raken.
Daar zitten ze dan op zo’n bewonersavond. Met kaarten. PowerPoints. Werkateliers. Thematische sessies. Klankbordgroepen. En geloof me: In Wassenaar kan iedereen praten. De één wil meer natuur; de ander minder verkeer; de volgende wil uitbreiding van z’n bedrijf en weer een ander roept alleen maar: “Blijf er allemaal vanaf!”
Ondertussen schuift alles langzaam op. Want terwijl iedereen praat…
gebeurt er ondertussen van alles.
Bij Valkenburg komt een natuurgebied. Mooi hoor. Water. Vogels. Wandelpaadjes. Maar tegelijk komen daar ook duizenden huizen. Defensie kijkt naar Maaldrift en denkt: ‘Kunnen wij hier nog trainen?’ Bewoners denken: ‘Prima. Maar niet naast mijn voortuin.’ De American School denkt aan uitbreiding. En bij het Ammonslaantje klinkt onmiddellijk: ‘Dacht het niet vriend.’ En dan ligt er ergens nog een sportveld dat misschien bedrijventerrein wordt. Of niet. Of een beetje. Hangt er maar net vanaf wie het laatste woord krijgt.
Het geheim van de randen
Kijk… wat niemand hardop zegt maar iedereen voelt: Die randen van Wassenaar zijn geen lege plekken. Dat zijn de laatste plekken waar het dorp nog kan ademen. Daar stopt de stad even. Daar heeft de Randstad geen haast. Daar is een grutto belangrijker dan een parkeerplek. Tenminste…tot iemand z’n auto nergens kwijt kan. En daarom schuurt het daar altijd. Want elke meter grond heeft twee verhalen:
● één van vroeger
● één van straks
En die twee willen zelden hetzelfde.
En toen kwam de Omgevingsvisie
Ik zei nog tegen Saar terwijl Bikkie onder tafel lag te snurken: “Zie je nou wel… eerst heb je al dat gedoe in die randen… en dán gooien ze er een Omgevingsvisie overheen als een grote deken. Maar een deken kan ook verstikken.”
Want dat hele verhaal van die Omgevingsvisie is eigenlijk gewoon één grote poging om orde te scheppen in de chaos. Daar zit je dan als gemeente. Met:
- polders die beschermd moeten worden
- een Noordrand waar iedereen iets van wil
- boeren
- bewoners
- vogels
- bedrijven
- verkeer
- duurzaamheid
- woningbouw
En dan komt die nieuwe Omgevingswet binnenwandelen. Die zegt eigenlijk gewoon: ‘Regel het even netjes. En vóór 2027 graag.’ Nou succes.
Het Grote Plan
Dus gaan ze schrijven. Niet zomaar een plannetje. Nee. Een visie. Voor 2040.
Misschien nog verder. Met woorden als:
⦁ toekomstbestendig
⦁ duurzaam
⦁ integraal
⦁ verbindend
⦁ een levend document
Alles moet erin passen. Van dat ene slootje in de polder, tot de file bij het Rozenplein. Één groot verhaal.
Participatie op participatie
En dan komt het mooiste woord van allemaal: Participatie. Iedereen mag meepraten. En niet een beetje ook. Er zijn:
- enquêtes
- bewonersavonden
- straatgesprekken
- ateliers
- werksessies
- jongerenpanels
Ze gaan nog net niet langs de deuren met koffie en een gevulde koek. Zelfs jongeren worden gevraagd. Zie je mij al staan bij de skatebaan: “Jongens, hoe zien jullie Wassenaar in 2040?” Waarop zo’n jongen zegt: “Met beter wifi ouwe.” En eerlijk? Misschien heeft ie nog gelijk ook.
De zes grote woorden
Ze hebben alles netjes in zes thema’s gegoten:
- Groen en erfgoed
- Wonen
- Economie
- Bereikbaarheid
- Gezondheid
- Duurzaamheid
Klinkt prachtig. Maar zet die zes samen in een kamer…en binnen een kwartier heb je mot. Want probeer maar eens tegelijk:
- meer huizen te bouwen
- meer natuur te behouden
- minder verkeer te hebben
- én beter bereikbaar te worden
Dat is net alsof je zegt: “Ik ga minder eten…maar wel vaker opscheppen.”
Het echte gevaar
Kijk…het idee is goed hoor. Echt waar. Samen nadenken. Samen praten. Samen plannen maken. Maar daar zit ook meteen het gevaar. Want het risico is niet dat er te weinig gezegd wordt. Het risico is dat er zóveel wordt gezegd…dat niemand meer een keuze durft te maken. En uiteindelijk moet iemand toch zeggen: “Hier wel.” En ergens anders: “Daar niet.” En geloof me…dat is in Wassenaar ongeveer het moeilijkste wat er bestaat.
Het dorp is geen document
Ik heb die hele Omgevingsvisie zitten lezen aan de keukentafel. Kaat tegenover me. Bril op me neus. Bikkie onder tafel. En ergens tussen al die kaarten, schema’s, plannen en toekomstbeelden dacht ik ineens:
Een dorp is geen document. Het is geen beleidsstuk. Geen structuurvisie.
Geen procesdiagram. Een dorp is een gevoel. Dat zit niet in een rapport.
Dat zit:
- op een bankje
- bij de bakker
- op het plein
- in een wandeling door de polder
- in een praatje over niks
- in iemand die zegt:
“Môgge”.
En dát krijg je nooit helemaal op papier.
Dus ja…de Noordrand, de polders, de Omgevingsvisie, het Grote Plan.
Het hoort allemaal bij hetzelfde verhaal. Een dorp dat probeert vooruit te gaan…zonder zichzelf kwijt te raken. En geloof me: dat is moeilijker dan het lijkt. Ik zeg nog tegen Saar, laten we samen en Bikkie nog maar eens één keer gaan kijken naar het landschap. “Want weet je wat het mooiste is? Dit is nog maar het begin. Want straks…als die keuzes écht gemaakt moeten worden…dan moet iemand ‘ja’ zeggen…en iemand anders, jammer dan. En dan leeft Wassenaar pas écht.”
Sam Babbel







