Luister… dit mag je niemand vertellen… Er zijn van die plekken in Wassenaar waar je ongemerkt ouder wordt. Niet omdat je daar ineens meer rimpels krijgt, maar omdat de tijd er wat langzamer loopt.
Neem nou een bankie.
Van de week streek ik weer neer op mijn vaste bankie tegenover de ingang van Duinrell. U kent het inmiddels wel. Zelfde bankie, zelfde uitzicht, zelfde Sam. En natuurlijk Bikkie, die naast me neerplofte alsof hij persoonlijk verantwoordelijk was voor het toezicht op het straatmeubilair. Ik zat nog maar net toen mij ineens een vraag te binnen schoot: Weet de gemeente Wassenaar eigenlijk dat dit bankie hier staat? Niet ongeveer. Maar precies. Met locatie, onderhoud en misschien zelfs een nummer. Ik bekeek het eens goed. Geen nummer. Geen QR-code. Geen bordje. Niks. “Misschien besta jij administratief helemaal niet,” zei ik. Bikkie keek niet eens meer op. Die is eraan gewend dat ik tegenwoordig tegen bankies praat.

Even zitten
Terwijl ik daar zat kwam een jongen naast me zitten. Koptelefoon op, telefoon in zijn hand. Eerst geen woord. Tot hij na een paar minuten zei: “Mooi weer.” “Dat zei de lucht ook al,” antwoordde ik. Hij moest lachen en even later waren we aan de praat. Hij had zijn examen gehaald, maar wist nog niet wat hij met zijn leven wilde. “En u dan? Wat wilde u vroeger worden?” Ik dacht even na. “Gelukkig.” “Is dat gelukt?” “Ja zeker. Het begin is moeilijk maar als je er open voor staat kun je heel ver komen. En bij mij is dat zeker gelukt!”
En zo vertelde ik over vroeger. Over Wassenaar, de schapen, De Paauw, de melkboer, een dubbeltje en een kwartje. Over de vijftig en zestiger jaren, verkeringstijd, het huwelijk en de kinderen. En over een tijd waarin je zonder afspraak bij elkaar binnenliep.
En weet je wat het mooiste was: Die jongen luisterde. Niet naar zijn telefoon. Niet naar zijn koptelefoon. Naar mij.
Toen hij opstond zei hij: “Bedankt voor het gesprek.” Zijn telefoon zat inmiddels in zijn zak. Ik keek hem na en dacht: misschien zijn bankies wel de laatste plekken waar mensen elkaar zomaar ontmoeten. Zonder wifi, Facebook, Instagram, TikTok of WhatsApp. Gewoon via een glimlach of een praatje.
En daar heb je geen wachtwoord voor nodig. Een bankie is soms vrijheid.
Thuis ben ik eens gaan zoeken. In een oud gemeentelijk beheerplan werd gesproken over 275 banken, inclusief picknicksets. Tweehonderdvijfenzeventig!
Maar waar staan ze allemaal? Zijn ze er nog? Zijn er inmiddels meer? Of minder?
Voor een jong iemand misschien totaal onbelangrijk. Maar voor iemand die ouder wordt of slecht ter been is, kan een bankie het verschil betekenen tussen wel of niet naar buiten gaan. Als je weet dat je onderweg even kunt zitten, durf je misschien nog naar de Langstraat, het Berkheiveld, de bibliotheek of gewoon een rondje door het dorp.
Jonge mensen lopen tien kilometer en kijken daarna op hun horloge hoeveel stappen ze hebben gezet. Wij ouderen kijken na vijfhonderd meter of er ergens een rugleuning staat. Dat is een ander soort stappenteller. En dan moeten die bankies natuurlijk wel op de goede plek staan. Niet verstopt achter manshoge struiken, niet scheef en het liefst mét rugleuning. Een bank zonder rugleuning is voor veel ouderen geen bank. Dat is een plank op poten.
Waar staan ze?
Dus ging ik op zoek naar een overzicht. Computer aan. Klikken. Zoeken. Ik vond beleidsstukken, beheerplannen, visies en documenten waarbij je na drie bladzijden alweer vergeten bent waarom je ze geopend had. Maar een simpel openbaar kaartje met: Hier staan de zitbanken van Wassenaar kon ik niet vinden. Misschien bestaat het intern. Dat hoop ik zelfs. Want we weten waar bomen, lantaarnpalen, verkeersborden en afvalbakken staan. Dan moet een bankie toch ook terug te vinden zijn? En waarom maken we dat overzicht niet openbaar? Geef ieder bankie een nummer en eventueel een QR-code. Even scannen en je ziet:
Volgende bank: 350 meter.
Bushalte: 420 meter.
Centrum: 900 meter.
En meteen een mogelijkheid om te melden dat een bank kapot, vies of slecht bereikbaar is. Meer hoeft het niet te zijn.
Geen projectgroep van twaalf mensen.
Geen participatietraject van 86 pagina’s.
Gewoon praktisch.
Een kaart van Wassenaar
Eigenlijk zou ik maar één ding willen: Een kaart van Wassenaar met alle openbare bankies erop. Van Oostdorp tot Rijksdorp. Van de duinen tot de Oostrand. Met eenvoudige informatie: bank met rugleuning, picknicktafel, rolstoeltoegankelijk, bank in de zon of juist in de schaduw. En speciaal voor Bikkie eventueel: Bank binnen tien meter van een prullenbak waarin mogelijk broodkorsten liggen. Dat wordt waarschijnlijk zijn favoriete categorie.
Dus beste gemeente Wassenaar: Weten jullie precies waar al onze openbare bankies staan?
Is het antwoord ja? Prachtig. Laat het ons dan zien.
Is het antwoord nee? Vraag Wassenaarders mee te helpen. Foto maken, locatie doorgeven, klaar.
Een paar dagen later zat ik weer op mijn bankie tegenover Duinrell. Een ouder echtpaar kwam voorbij. De vrouw stopte. “Is hier verderop nog een bankje?” “Ja hoor.” “Hoe ver?” Tja. Tweehonderd meter? Vierhonderd? Zeshonderd? Ik wist het niet. Voor mij misschien geen probleem. Maar voor iemand van vijfentachtig kan een paar honderd meter een wereld van verschil zijn.
Toen wist ik het zeker. Die bankenkaart moet er komen.
Niet omdat Sam Babbel zo nodig wil weten hoeveel bankies Wassenaar telt. Maar omdat een dorp waarin mensen zo lang mogelijk zelfstandig moeten blijven wonen, er ook voor moet zorgen dat zij zelfstandig naar buiten kunnen.
En soms begint dat niet met een groot zorgplan, een beleidsnota of een duur onderzoek. Soms begint het gewoon met een goed bankie.
Op de juiste plek.
Met een rugleuning.
Een bankie waarop iemand kan uitrusten. Waar een jongen zijn telefoon in zijn zak steekt en naar een oude man luistert. Waar twee vreemden elkaar goedemorgen zeggen. Waar iemand die alleen is, ineens even niet alleen is.
En het liefst een bankie…waarvan de gemeente weet dat-ie er staat.
Ik gaf Bikkie een aai. “Zullen we ze anders zelf maar gaan tellen?” Hij keek me aan. “Dit wordt nummer één. Dan hoeven we er nog maar 274.” Bikkie legde onmiddellijk zijn kop weer neer. En eerlijk gezegd…
ik bleef ook liever nog even zitten.
En zo is ’t.
Sam Babbel








