De laatste dagen was het weer niet van dien aard dat ik met Bikkie ergens op een bankie in Wassenaar was te vinden. De zon doet wel z’n best, maar die gure wind snijdt dwars door mijn jas heen. En ja… ik ben niet meer de jongste. De jaren gaan tellen. Je voelt het ’s ochtends al bij het opstaan: eerst de knieën (ik maak eerst tweemaal 5 kniebuigingen), dan de rest.
Gelukkig is Bikkie geen trekhond, dat scheelt weer. Voor hetzelfde geld had ik achter hem aan moeten rennen en dát hoofdstuk hebben we wel afgesloten.
Dus ben ik de afgelopen dagen, zonder den hond, maar op pad gegaan op mijn elektrisch aangedreven fiets. Je kent het wel: windje tegen, boodschappentas aan het stuur, beetje onverantwoord ik weet het, en dan toch stoer blijven doen alsof je de Tour rijdt. Nou, ik kan je vertellen: de Tour rijdt mij tegenwoordig.

Zo ben ik een paar keer over de Buurtweg en de Van Brienenlaan gereden. Dat stuk ken ik natuurlijk nog van vroeger (niet vergeten, de woonomgeving van mijn grootouders in De Rijs). Het opleidingscentrum van de PTT aan de Buurtweg, toen nog gewoon een plek waar gewerkt werd, nu museum. Mooi hoor, daar niet van, je kunt er heerlijk op een bankje zitten met uitzicht waar je stil van wordt. Maar vroeger… vroeger zat daar leven in.
Langs de Roggewoning, de voetbalvelden op de Buurtweg en de Waalsdorperlaan, het hangen langs de slootkant bij het Oosterbeekbos… ravotten op het duinzand en het heerlijke zwemmen in het koude duinzandwater. En altijd iemand die de leiding nam, in mijn geval Leen Grevers. Niemand die ’m had aangesteld, maar hij dééd het gewoon. Dat soort mensen heb je tegenwoordig minder. Nu moet alles eerst in een werkgroep.
Duindigt
En natuurlijk Duindigt. Man…Duindigt. Dat was geen renbaan, dat was een belevenis. Daar rook je paarden, spanning en een beetje verloren geld.
Wat een omgeving. En ach… wat was ik nog jong en naïef. Ik dacht dat alles altijd zo zou blijven.
Nou… mooi niet dus.
Want rustig is het daar allang niet meer. Hebben we het niet over Duindigt, dan is het wel weer het oneigenlijk gebruik van een parkeerplaats. En geloof me, als er één ding is waar een Wassenaarse buurtbewoner slecht tegen kan, dan is het iemand die nét iets anders doet dan de bedoeling was. Terwijl er over Duindigt een soort pauzedeken ligt (zo’n deken waarvan je weet dat eronder nog van alles broeit) en ook die parkeerplaats bij het museum Voorlinden nog even in de wachtstand staat… laait het stof rond de bunker van Seys ineens weer op.
En nou wordt het interessant.
Levensgroot stond het daar langs het fietspad: een bord dat die bunker te koop werd aangeboden. Vroeger had je daar alleen bomen, stilte en dat knagende gevoel dat er iets onder de grond zat waar je beter niet te lang over nadacht.
Nu is het net een etalage. Alsof ze zeggen: “Komt dat zien, komt dat zien, stukje Koude Oorlog, licht gebruikt, nauwelijks beschadigd.”
In mijn jonge jaren was dat ding gewoon een spookhuis. Iedereen wist dat-ie er lag, maar niemand wist wat er binnen gebeurde. En dus gingen de verhalen hun eigen leven leiden.
Gangen tot aan het Binnenhof. Duitse officieren die nooit meer boven waren gekomen. Geheime installaties waar ze na de oorlog nog mee zaten te hannesen. De waarheid? Die lag waarschijnlijk ergens in het midden.
Maar dát het geheimzinnig was… dat stond als een bunker. En dat hoorde ook zo.
Bunker
Een bunker moet je niet uitleggen. Een bunker moet je voelen. En daar hou ik van. Ik heb er heel wat bezocht aan de Wassenaarse Slag. Mijn favoriete bunker was de bunker die ooit gestaan heeft op het hoekje van de Katwijkseweg. Daar ligt nu een rotonde. Maar daar gaat het in dit verhaal niet over.
De bunker waar het over gaat daar hangen ze doodleuk een levensgrote foto van het interieur op langs de weg. Je kijkt zo in de maag van de geschiedenis.
Het is net alsof ze zeggen: “Kijk nog even goed, straks maken we er iets leuks van.” En daar zit ’m precies de kneep. Want het gaat niet meer om bewaren… het gaat om worden.
Verkopen. Ontwikkelen. Herbestemmen. Beleven.
Vooral dat laatste woord, “beleving”, daar krijg ik uitslag van (en daar moet je mee uitkijken op mijn leeftijd).
Voor je het weet loop je daar met een VR-bril (hoewel je daar tegenwoordig als oudere ook mee moet oppassen!) op door een nagebouwde oorlog, terwijl iemand met een knotje zegt dat je je telefoon op stil moet zetten “voor de ervaring”. Met boven de ingang een bordje:
“Bunker Blend – medium roast.” Inclusief havermelk.
Kijk, Wassenaar heeft erfgoed zat: Kasteel Oud Wassenaar, Huize De Paauw, Huize Ivicke, het Nias, Clingendael, een geheimzinnige theekoepel op het oude landgoed Backershagen, de Del Court van Krimpen villa… het stapelt zich op.
Maar deze bunker is geen theekoepeltje waar je een scone kunt bestellen.
Dit is geschiedenis in beton gegoten. Daar ga je niet mee leuren alsof het een tuinkabouter op het Oranjefeest is. Dat moet je koesteren. Dat ding ligt daar al sinds ’42. Eerst voor de Duitsers, toen voor de Koude Oorlog… en daarna stilte. Jarenlang. Decennia. En weet je wat het gekke is? Die bunker heeft geen haast. Die heeft alles al gezien. Die zit echt niet te wachten op een Nota van Uitgangspunten, een participatietraject en een Nota van Beantwoording met een was-wordt-lijst waar je de was nog net niet bij krijgt geleverd.
Officieel is er nog niks besloten… maar de richting ligt al vast. Dat noemen ze “richtinggevend”. Ik noem het: alvast de stoelen neerzetten terwijl het publiek nog binnen moet komen.
En dan heb je de drie smaken: de overheid wil cultuur en educatie, de ontwikkelaar wil rendement, en de buurt wil rust. Dat is net alsof je drie honden aan één lijn zet en hoopt dat ze dezelfde kant op lopen.
Succes.
Ik zeg: hou dat ding in publieke handen. Geen fratsen. Geen verdienmodellen waar je drie Excel-sheets voor nodig hebt om ze te begrijpen. Gewoon openstellen. Af en toe. Met beleid. Laat kinderen er met een zaklamp doorheen lopen tijdens Bunkerdag. Laat ze voelen hoe koud beton is. Hoe stilte klinkt als er niks meer is. Zet er een vrijwilliger neer (type Marco Kroon) die nog weet hoe een veldtelefoon klinkt. Zo’n type dat niet begint over “experience”, maar gewoon zegt: “hier zat vroeger iemand die hoopte dat-ie het overleefde.”
Dat is les genoeg.
Want ik las dat ze mikken op tienduizenden bezoekers per jaar. Moet je je voorstellen. Dat hele bos vol mensen met ijsjes die vragen waar de ingang van de “ondergrondse attractie” is. Dan zit je daar je heg te knippen en komt er een touringcar langs. Ja… dan snap ik dat de buurt zegt: ho even.
Al moet ik er wel bij zeggen, en dat mag ook wel eens, die lui in Benoordenhout hebben altijd wel wat. Eerst de Amerikanen, toen het theekoepeltje, en nu weer die bunker.
Het is een beetje alsof twee buren al jaren over dezelfde heg ruziën, maar allebei doen alsof ze ‘m niet zien.
Maar goed. Het blijft wringen. Niet dát er iets gebeurt… maar hoe.
Alles moet tegenwoordig iets worden. Iets met een functie. Een toekomstvisie. Een exploitatie. Alsof gewoon bestaan niet meer genoeg is. Maar zo’n bunker ís geen leeg ding. Daar zit oorlog in. Angst. Macht. Stilte.
En daarna nog meer stilte.
Dat trek je niet recht met een PowerPoint en een biedprocedure van vijfenzeventig euro.
Vroeger had je geheimen die ook gewoon geheim mochten blijven. Iemand zei: “Daar zit wat.” En dat was genoeg. Je fantasie deed de rest.
En geloof me… die was altijd beter dan de werkelijkheid.
Dus wat moet je ermee? Soms… moet je iets gewoon laten zijn. Niet alles hoeft opgelost. Niet alles hoeft ontwikkeld. Sommige plekken mogen een beetje schuren. Sterker nog, dat móét. Die bunker redt zich wel. Die kan nog tien jaar wachten als het moet.
Misschien is dat wel de les. Dat niet alles meteen een plan nodig heeft. Dat sommige dingen gewoon herinnering mogen blijven.
Dus mijn oordeel, en hou dit nou echt tussen ons:
Die bunker heeft geen hippe toekomst nodig.
Die bunker ís de herinnering aan een tijd zonder zekerheid.
En als we dat ook nog gaan verkopen alsof het een tuinkabouter op het Oranjefeest is……dan zijn we verder van huis dan we denken.
Ik fiets maar weer naar huis. Bikkie zal me wel gemist hebben.
Maar sommige dingen…die moet je niet wakker maken.
Sam Babbel








