Van de week zat ik op een bankie vlak bij de korenmolen Windlust. Een prachtige plek. Bikkie lag naast me te snurken alsof hij nachtdienst had gedraaid op het gemeentehuis. Ik keek een beetje voor me uit. Schoolkinderen op de fiets, ouders met haast, pakketbezorgers die heel Wassenaar leken te bevoorraden en natuurlijk opa’s en oma’s die links en rechts kleinkinderen aan het ophalen waren.
Toen schoot me ineens een vraag te binnen.
Wanneer ben je eigenlijk afgeschreven?
Volgens sommige mensen gebeurt dat ongeveer tegelijk met de eerste AOW-uitkering. De ene dag ben je gewoon inwoner van Wassenaar, de volgende dag ben je ineens ‘senior’. Nog een paar jaar later ben je ‘oudere’. En voor je het weet noemt iemand je een ‘oudje’.
Nou… daar lust Sam nog geen vers harinkie van. Want als ik zo om me heen kijk, zie ik heel andere ouderen.
Ik zie opa’s die de halve week taxichauffeur spelen voor hun kleinkinderen. Ik zie oma’s die meer afspraken in hun agenda hebben dan de gemiddelde wethouder. Ik zie vrijwilligers bij Blauw-Zwart, HGC, de kerk, de Bij-Bus, de bibliotheek, de KBO, de Zonnebloem, de huurdersorganisatie Rozenstein en nog tientallen andere organisaties. Mensen die niet vragen wat de samenleving voor hen doet, maar iedere dag opnieuw vragen wat zij nog voor een ander kunnen betekenen.

En toch bekruipt me soms het gevoel dat ouderen tegenwoordig vooral worden gezien als een kostenpost. Alsof alles wat ze jarenlang hebben opgebouwd ineens minder waard is geworden zodra hun haar grijs wordt.
Ze wonen te groot.
Ze worden te oud.
Ze gebruiken te veel zorg.
Ze moeten langer zelfstandig blijven wonen.
Ze moeten langer doorwerken.
Maar als er ergens bezuinigd moet worden, blijken ze ineens te oud om nog mee te tellen. Dat is een bijzondere manier van rekenen.
Ervaring lijkt tegenwoordig minder waard dan snelheid. Terwijl ervaring juist ontstaat doordat je fouten hebt gemaakt, teleurstellingen hebt verwerkt en weer bent opgestaan. Dat leer je niet uit een cursus. Ook niet uit een app. Daar moet je simpelweg een leven voor hebben geleefd.
En toen las ik deze week dat de Werkgroep Wonen, Welzijn en Zorg van de Federatie Wassenaarse Ouderenorganisatie ermee stopt. Niet omdat het werk klaar is. Integendeel. Maar omdat er geen opvolgers meer zijn.
Daar moest ik toch even over nadenken.
Jarenlang hebben deze vrijwilligers zich ingezet voor onderwerpen waar uiteindelijk iedereen vroeg of laat mee te maken krijgt. Betaalbare woningen voor ouderen. Goede zorg. Toegankelijkheid. Vervoer. Eenzaamheid. Wonen met ondersteuning. Ze spraken in bij de gemeenteraad, schreven adviezen, dachten mee over oplossingen en trokken aan de bel als dat nodig was.
Niet voor zichzelf. Maar voor anderen. En nu valt het doek.
Dat is eigenlijk best verdrietig. Niet alleen omdat een werkgroep verdwijnt, maar omdat er blijkbaar niemand opstaat om het stokje over te nemen. Misschien denken we allemaal dat een ander het wel doet. Of misschien zijn we zo druk met ons eigen leven dat vrijwilligerswerk ergens onderaan het lijstje belandt. Dat kan. Maar dan moeten we later ook niet verbaasd zijn als er niemand meer is die opkomt voor de belangen van ouderen. Een dorp leeft namelijk niet alleen van stenen en straatverlichting. Een dorp leeft van mensen die zich inzetten voor elkaar.
Van vrijwilligers.
Van bestuursleden.
Van mensen die tijd vrijmaken terwijl niemand hen daartoe verplicht.
Dat zijn de stille motoren van Wassenaar. Zonder hen zouden heel wat verenigingen, stichtingen en initiatieven allang zijn stilgevallen.
Gelukkig zie ik ook nog veel hoop. Iedere week weer.
De vrijwilliger die koffie schenkt in de verenigingskantine.
De buurvrouw die boodschappen meeneemt.
De man die iemand naar het ziekenhuis rijdt.
De vrouw die iedere maandagochtend tekenschilderles geeft.
De man die het klaverjassen organiseert.
De opa die een voetbalwedstrijd fluit.
De oma die op school voorleest.
Afgeschreven? Kom nou toch.
Zolang je iets kunt betekenen voor een ander, ben je niet afgeschreven. En zelfs als je zelf hulp nodig hebt, ben je nog steeds van waarde. Want een samenleving meet je niet af aan de snelheid waarmee ze vooruit rent, maar aan de manier waarop ze omgaat met de mensen die al een heel leven achter zich hebben.
Dus als iemand mij vraagt of ouderen afgeschreven zijn? Dan zeg ik: alleen als we dat zelf gaan geloven. En daar begin ik mooi niet aan.
Nou, ik ga maar eens naar huis. Bikkie staat inmiddels demonstratief bij de ingang van de molen te wachten. Hij vindt dat ik alweer veel te lang heb zitten filosoferen.
En eerlijk is eerlijk. Hij heeft meestal gelijk. Zoals mijn vader vroeger zei:
“Je bent niet oud omdat er veel kaarsjes op de taart staan. Je bent pas oud als je ophoudt belangstelling te hebben voor de wereld om je heen.”
En daar voeg ik graag nog één zin aan toe:
“Dus kom uit die stoel. Al is het maar voor een uurtje. Het dorp kan uw ervaring nog goed gebruiken.”
Sam Babbel









