Zit ik laatst, samen met mijn trouwe viervoeter Bikkie, op dat bankje tegenover de ingang van Duinrell. Je kent dat plekkie wel: half Wassenaar loopt daar langs, de andere helft rijdt er langs, en de rest zit bij de Zonnehof aan de koffie. Voor Kaatje is het haar vaste uitkijkpost, maar ik mag er ook graag zitten. Je ziet er alles wat het dorp maakt wie het is: moeders met buggy’s, Duinrellgangers met kinderen en toeristen met hoge verwachtingen, asielzoekers met te veel tassen en Wassenaarders die doen of ze er toevallig lopen, maar ondertussen half het dorp bespieden.
Ik zit nog geen minuut of er stapt iemand uit de bosrand die ik van verre al herken. Peter Knijnenburg. Nou, die ken ik langer dan vandaag, ik zag het gelijk: hij had een gezicht alsof-ie net een citroen met schil en al naar binnen had gewerkt.
“Goeiemorge, Peter, hoe is ’t?” vraag ik nog vriendelijk. Hij kijkt me aan alsof ik vroeg hoe het op zijn eigen begrafenis was.
“Breek me de bek niet open, Sam,” zegt-ie. En hop, daar ging de sluis open. Als Peter begint te praten, kan je je fiets wel op slot zetten, want je gaat voorlopig niet weg.

Het ging over die Staab-penning. Je weet wel, die tweejaarlijkse pluim die vernoemd is naar burgemeester Staab, die van 1971 tot 1985 hier de scepter zwaaide. Een serieuze zaak, geen flauwekul. Die penning is voor verenigingen, niet voor personen, en werd altijd gezien als een soort ere-doorgeefketting van het dorp. De YMCA heeft ’m ooit gekregen – toen zat Peter daar nog middenin, dus hij weet precies hoe dat gaat.
Maar nu komt het. Peter dacht dus: ik zal es informeren hoe ik een bepaalde club, welke zeg ik lekker niet, want dan gaan de tongen weer klapperen, kan voordragen. Dat is goed bedoeld, want Peter heeft een hart zo groot als het hele Landgoed De Paauw erbij.
Hij krijgt van de gemeente een antwoord terug dat zo krom is dat je er een hoepel mee kan draaien.
Dat de huidige bezitter van de penning mag bepalen wie de volgende krijgt.
Nou, ik hoorde Peter dat zeggen en ik dacht eerst dat hij me zat te dollen. Dat is alsof je de winnaar van de loterij laat kiezen wie de volgende miljoen krijgt. Dan hoef je het woord ‘democratie’ voortaan niet meer in het gemeentehuis te gebruiken, want dan hebben we ’t met z’n allen officieel opgegeven.
Maar Peter kennende, hij laat niet met zich sollen, schrijft natuurlijk terug dat dit kant noch wal raakt. En warempel, daar staat in de Wassenaarse Krant ineens een nette mededeling: vóór 1 maart 2025 kun je aanvragen indienen, en het college van B&W beslist. Nou, dáár kon hij wat mee.
Dus Peter dient al in december vorig jaar (!) een keurig pakket in. Mooie aanvraagbrief, bijlagen, motivatie, alles tot in de puntjes. “Kat in ’t bakkie,” dacht-ie.
En ik geef ’m geen ongelijk. Als je het zo aanpakt, zou je toch denken dat de gemeente je in elk geval een fatsoenlijk antwoord geeft.
Maar nee hoor. In september — september! — vraagt-ie hoe het ermee staat. Krijgt-ie een standaard mailtje terug waar het vet van de automatisering nog aan de randen hangt:
“Binnenkort wordt uw voorstel voorgelegd aan het college.”
Binnenkort. Dat woord is hier in Wassenaar net zo rekbaar als een elastiekje dat te lang in de zon heeft gelegen. Peter had het zelfs gegoogeld, zegt-ie. “Binnen korte tijd” is binnen afzienbare tijd of spoedig, weldra, gauw of kortelings.
En toen begon de ellende pas echt. Want volgens z’n horoscoop, die hij anders nooit leest, maar nu wel want je weet het maar nooit, stond er in dat hij “een aangename verrassing” kon verwachten.
In de afgelopen maanden, weken en dagen bleef Peter het grootste deel van de tijd thuis. In z’n koppie had ’ie zich namelijk wijsgemaakt dat er elk moment een koerier van de gemeente zou aankloppen met een verheugend bericht. Achteraf natuurlijk een beetje dommig gedacht… maar ja, hoop doet leven hè.
Nou, die verrassing is inmiddels zo lang onderweg dat hij waarschijnlijk via de afsluitdijk loopt. Hij keek me aan, ogen half dichtgeknepen. “Sam, ’t is bijna weer half december… en ze moeten die prijs nog in ditzelfde jaar uitreiken. ’t Is toch te gek voor woorden. Prik dan een vaste datum, maak er een traditie van. Maar zo? Zo krijg je toch het idee dat ze het liever helemaal niet doen.”
Ik schonk hem nog een slok koffie uit Saartjes thermoskannetje.
Wij hebben geen poeha met bekertjes hoor, wij drinken gewoon uit hetzelfde. “Maar waar kom jij nou vandaan” vroeg ik. “Ach, als ik mijn zinnen even wil verzetten loop ik een stukje door dit prachtige stukje natuur.”
En toen gingen we in gedachten vanzelf terug naar de Bosjes van Palland, dat tijdloze stukje Wassenaar waar alles begint en eindigt, als je het mij vraagt. Dat bosje waar de gemeente ooit nog het botte plan had om er een andere naam aan te geven. Nou, daar kwamen ze sneller op terug dan een boemerang die terugkaatst op je eigen neus.
“Schuin tegenover ons,” begon ik, “had je vroeger dat mooie rechte pad.”
Dat pad liep uit, hoe verzin je het, op de vuilnisbelt van de gemeente. ‘Voorlopig’, zeiden ze destijds. Dat woord ligt in dezelfde la als ‘binnenkort’, ergens tussen sprookje en luchtkasteel. Maar voor ons kinderen toen was het goud waard. In de winter lagen we daar met sleeën tegelijk naar beneden te gieren.
Toen de ingang nog aan de Katwijkseweg lag en de toegangsprijs een dubbeltje was (voor de ingewijden gratis, omdat wij wel een andere ingang wisten te vinden….), leidde een slingerende laan met dikke eikenbomen naar het prachtige gazon voor het kasteel. Langs de Oranjerie, de tuin van Van Spronssen en het koetshuis. Tot zover was de toegang gratis, toen kon dat nog als je daar een boodschap had. Duinrell was een walhalla: Een schaapskooi met speeltuin, het hoogste punt van Zuid Holland met een houten uitkijktoren en een dierenparkje met mooie pauwen. ‘Pauw, Pauw ik ben mooier dan jou’ en warempel daar kwam zijn prachtige verenkleed te voorschijn. Ik heb heel wat veren kunnen meenemen.
Toen de ingang was verplaatst kwam ik en velen met mij altijd binnen via de illegale weg op het uiterste eind van het vrije bos (het bosje van Palland). Daar was de plek om het prikkeldraad over te gaan. Het lukte vrijwel altijd om ongezien binnen te komen. In het begin deed men wel eens een poging om ons achter de vodden te zitten maar men had al gauw door dat dit een zinloze weg was. Wij waren te snel en te snugger.

En Sam vertelde verder zoals hij dat kan. Over dat oude huisje dat inmiddels allang weg is. Over dat jongetje dat er tragisch omkwam bij het oversteken, dat hakt er nog steeds in als ik eraan denk. Over de vrouw van de burgemeester uit de jaren zestig die op de Katwijkseweg tegen zo’n machtige oude boom knalde. Iemand die zich had opgehangen en niet te vergeten: het lichaam dat een paar jaar terug bij de bosrand werd gevonden. Geen oplossing, alleen fluisterverhalen. Wassenaar heeft meer mysteries dan afleveringen van Opsporing Verzocht. En als het bosje van Palland zou gaan praten, dan zou Sam met zijn verhalen wel kunnen inpakken.
Peter zat stil te luisteren, handen over elkaar, Bikkie met z’n kop op z’n knie. Ik zag dat het hem raakte, dat hele verhaal over wat was, wat is, en wat bijna verloren dreigt te gaan.
Toen vertelde ik hem over dat rapport dat ik ooit in het gemeentearchief had gelezen, geschreven in de jaren veertig, midden in de oorlog. Een prachtig, bijna plechtig stuk tekst over natuurschoon, volksbossen, en de plicht van een gemeenschap om haar bomen en lanen te koesteren.
Daar stond letterlijk dat Wassenaar dreigde te verworden tot één langgerekt villapark, en dat de schoonheid, die grootse lommerrijke lanen, verloren zouden gaan als de gemeente niet ingreep.
En weet je, dat rapport was zo vooruitziend dat het vandaag de dag nog net zo actueel is als toen.
“Sjoh,” zegt Peter, “kijk toch eens hoe mooi het hier is.”
Ik keek naar de bomen, naar het zachte licht dat tussen de stammen viel. “Peter,” zei ik, “een dorp dat z’n verleden niet begrijpt, gaat z’n toekomst niet herkennen. En een gemeente die haar bos vergeet, krijgt er ooit spijt van.”
Hij knikte langzaam.
En Bikkie, die blafte precies één keer. Alsof-ie zeggen wou: Sam heeft weer gelijk, hoor.
En zo zaten we daar nog een tijdje. Twee oude knarren, één hond en een bos dat al meer verhalen kent dan wij ooit kunnen opschrijven.
En dat mag je niemand vertellen… maar het was een mooie ochtend.
Sam Babbel








