Luister…dit mag u van mij best doorvertellen, hoor.
Een nieuw jaar begint altijd met goede bedoelingen. Dus vooruit:
mijn allerbeste wensen voor 2026. Gezondheid – want zonder dat ben je nergens. Liefde – want zonder dat wordt het een kaal jaar. Warmte – niet alleen van de kachel, maar ook een beetje van elkaar.
Vreugde, blijdschap, zonneschijn en vooruit: af en toe zo’n meevallertje waar je niks voor hoeft te doen. En dat meevallertje beste mensen, is de verhoging van onze AOW en het pensioen. Over de rest dat duurder wordt zullen we het maar niet hebben!
Mocht er tóch een onsje of twee tegenslag op uw bordje belanden – want ik blijf wel eerlijk – dan wens ik u kracht, troost, moraal, een schouder om tegenaan te leunen en iemand die zegt:
“Kom op joh, morgen weer een dag.” Voor iedereen. Van goede wil. Minder goede wil. En zelfs voor die mensen bij wie je soms denkt: jij moet ook ergens vandaan komen.

Nee hoor, deze woorden heb ik niet op 1 januari 2026 zitten tikken met een bonkend hoofd en een leeg oliebollenbord. Ik heb geen vuurwerk de lucht in geschoten ter waarde van een kleine middenstander. Geen buren laten schrikken. Geen honden getraumatiseerd. Bikkie lag gewoon aan mijn voeten. Kaat zat iets verderop. En het was stil voor twaalven wel te verstaan. Zo’n stilte waarin je je gedachten hoort schuiven.
Dat was iets anders na het meetellen van de klok. Het barstte los en dat bleef nog een tijdje zo doorgaan. Bikkie wist niet waar hij voor zijn veiligheid moest gaan liggen en Kaat kroop behaaglijk dicht tegen mij aan. Waar maak je dat tegenwoordig op onze leeftijd nog mee. En het duurde lang, heel lang voordat de stilte weer terug was. In stilte vervloekte ik de jeugd van tegenwoordig maar ja…..ik was vroeger ook zo!
Overigens Nieuwjaarswensen mag je officieel tot Driekoningen doen – 6 januari – maar tegenwoordig rekken we dat op tot half januari. Daarna zeg je alleen nog: “Ook voor de rest van het jaar.” Scheelt weer woorden. En woorden…ja, daar gaat het bij mij vaak om.
Babbels, noem ik ze. Gedachten die blijven hangen. Die je niet zomaar wegschuift met de krant of de koffie. Vorig jaar heb ik er al een paar met u gedeeld. En nu, met de politiek in Wassenaar even in de wachtstand richting de gemeenteraadsverkiezingen, is het soms zoeken naar een onderwerp.
Maar ja. Moed verloren is al verloren. Dus vooruit. Frisse moed. Nieuw Babbeljaar. En mag je dit juist wel vertellen deze keer.
In de vorige aflevering vroeg ik het mij af: Wat is Wassenaar nu eigenlijk? Dat is aantoonbaar gepubliceerd, Wassenaarders zijn slim. We zijn officieel de slimste gemeente van Nederland. Dat staat ergens gemeten, gewogen en bevestigd, dus daar hoeven we niet over te discussiëren.
We zijn niet meer de rijkste gemeente van het land — dat zeggen we er altijd netjes bij — maar ondertussen is één op de vier huishoudens wel miljonair (dan ben ik zeker één van de andere drie). Geen schreeuwerige rijkdom, hoor. Gewoon rustig vermogen, netjes verdeeld over lanen, oprijlanen en nog langere oprijlanen.
En dan is er nog iets merkwaardigs. Wassenaar is massaal in de ban van afslanken. Dure afslankmiddelen worden nergens in Nederland zo vaak gebruikt als hier. In het rijke Wassenaar dus. Blijkbaar is slank zijn minstens zo belangrijk als slim zijn — en misschien zelfs belangrijker dan rijk zijn.
Kortom: we zijn slim, we hebben geld, we meten onszelf voortdurend…
en concluderen dan dat er nog wel wat af kan. Dat is Wassenaar.
Maar wat heb je daar aan als je je deur niet meer durft open te doen? Geld trekt namelijk makelaars aan. En boeven. Die ruiken dat als verse saucijzenbroodjes bij bakker Niek Kaptein op zaterdagochtend.
Oplichters worden steeds slimmer in het verzinnen van smoesjes om vooral oudere mensen geld of sieraden afhandig te maken. Ze zeggen bijvoorbeeld dat ze van de bank of zelfs de politie zijn. Met een vriendelijk praatje winnen ze je vertrouwen en voor je het weet, ben je je waardevolle spullen kwijt.
Een paar dagen geleden stond er bij mij aan de deur een jongedame met een fluorescerend hesje en een clipboard.
“Goedemiddag meneer,” zegt ze, “nog de beste wensen. Ik kom namens de gemeente uw rookmelder controleren.”
Heel vriendelijk. Heel beleefd. Niks mis mee.
Nou, ik kijk naar haar. Zij kijkt naar mij. En de rookmelder kijkt ook mee, denk ik, want dat ding is van net na de euro en piept alleen als de buurvrouw hutspot maakt.
Dus ik zeg: “Dat is mooi. Dan controleer ik eerst even úw legitimatie.”
Nou… ze was weg voordat ik brandveiligheidsvoorschrift kon zeggen.
En ik ken mensen. Goeie mensen. Fatsoenlijk. Vriendelijk. Die hadden op datzelfde moment hun horloge, spaargeld én trouwring aan haar meegegeven. Zó snel gaat dat. Want dát is het hem nou.
De boef van tegenwoordig staat niet meer in het donker met een bivakmuts achter een heg. Nee hoor. Die draagt nette schoenen, heeft een kapsel uit de catalogus, praat als een medewerker van de Rabobank na een communicatietraining en lacht alsof hij net promotie heeft gemaakt.
Je stinkt er zó in.
Samen waakhond spelen
Een paar maanden geleden zat de kantine van de voetbalvereniging Blauw Zwart stampvol. Bij elkaar wel honderdvijftig mensen. Geen bal gezien, wel bitterballen – en die waren zo goed dat je er dagelijks voor terugkomt en dat kan bijna bij deze vereniging. Bij Samen Zijn is zelfs de koffie gratis. En de bingo ook. Alleen winnen moet je zelf doen.
De burgemeester was uitgenodigd (de Lange). De meeting werd geopend door de voorzitter van de club, voorzitter van de kringloop, en van alles wat een beetje samenbrengt (bijnaam de Lange). Hij stopt zijn geld in de vereniging, maar net zo hard in de mensen eromheen. Het sociale zit bij hem niet alleen in de breedte, maar ook gewoon recht overeind. Geliefd, ja. Verguisd ook wel eens. Zo gaat dat met mannen die boven het maaiveld uitsteken. Iedereen stil. Oren open. Burgemeester De Lange zei:
“Veiligheid maken we samen.”
En hij had gelijk. Want je kan een politiebureau hebben (ja, dat aan de Hofcampweg blijft), politiemensen (ja, er komt uitbreiding), camera’s, buurtapps en een wijkagent met nieuwe veters van de Snelservice Schoenmakerij die hij gekocht had voordat bekend werd gemaakt dat John zijn schoenen aan de wilgen hangt – maar geen enkele agent kan dag en nacht in elke voortuin zitten met een thermoskan koffie en een nachtkijker.
Dat moeten wij doen. Niet de koffie. Niet de kijker. Maar elkaar kennen.
Even zwaaien. Even vragen: “Alles goed?”
Dat is de eerste laag van veiligheid.
Maar let op, steeds vaker zijn het jonge gasten. Jong, maar slinks. Van die gladde praters met meer praat dan verstand. Snotapen met vingers die sneller gaan dan hun geweten. Ze lachen vriendelijk, maar ondertussen tellen ze je wisselgeld twee keer – voor zichzelf. Een beetje charme, een beetje branie en hop: je bent erin getuind.
WhatsApp. Nepbank. Nepagent. Goed verhaal. Tik-tak. Jij de sieraden kwijt.
En u denkt nu: “Daar trap ik toch niet in.”
Maar ik zeg het u: je stinkt er zó in.
Omdat ze niet op je verstand mikken. Ze gaan op je gevoel. Ze maken je bang voor iets dat misschien niet eens echt is. En in paniek doe je dingen die je nooit gedaan zou hebben.
Als kind woonde ik in de Rooie Buurt. Deuren stonden open. Niet omdat er geen boeven waren, maar omdat iedereen elkaar kende. We hadden niks, maar we hadden elkaar. En daar zit de kern.
Niet in camera’s. Niet in keurmerken. In elkaar kennen.
En nu even opletten
Want het nieuwste trucje heet scripting. Toen ik dat hoorde, begonnen alle melders in huis spontaan te piepen.
De boef belt. Als bank. Als politie. Hij vertelt een spannend verhaal:
– er is ingebroken
– uw geld loopt gevaar
– uw sieraden moeten ‘veilig’ worden gesteld
Je hart bonkt. Je begint te zweten, het klotst onder de oksels. Je hoofd stopt. En dan komt het geniepige:
Hij zegt precies wat jij moet zeggen tegen de échte bank. Je wordt geregisseerd. Je speelt mee. En u maakt zélf het geld over. Met uw eigen vingers. Je bent dus een speler in je eigen toneelstuk (vandaar scripting; in toneeltermen zijn de woorden die je moet zeggen opgeschreven, dat heet het script).
En dan zegt u later:
“Maar ik deed toch niks verkeerd?”
Nee.
U deed iets menselijks.
Want dit gaat niet over dom zijn.
Dit gaat over mens zijn.
En dan Sams gouden regels.
Knip dit uit. Plak het op de koelkast.
Doe ’s avonds niet zomaar open
voor onbekenden.
Praat door het raam.
Vraag altijd om legitimatie.
Neem de tijd om goed te kijken.
Geen foto op een telefoon.
Bel altijd zelf een nummer dat jij kent.
Geef nooit je pincode, pas of sieraden af.
Aan niemand.
Twijfel je? Niet denken.
Bel een vertrouwd persoon.
Bellen voor spoed 112.
Geen spoed, wel politie nodig: 0900-8844.
Schaam je niet. Schaamte is het beste wapen van de boef.
Vertel het door. Aan de buren. Op de club. Desnoods aan de hond.
Samen ben je slimmer dan alleen.
En voor wie denkt: “Sam overdrijft weer” vraag het maar aan Leendert. Die stuurt tegenwoordig alleen nog ansichtkaarten. “Daar kan je tenminste geen Tikkie mee krijgen,” zegt-ie.
Ouwe mensen zijn niet gek. Ze zijn alleen goed van vertrouwen.
En daar maken ze misbruik van. Met nette schoenen en een geoefend glimlachje voor de badkamerspiegel.
Als ze nou eens bij mij aanbellen, zeg ik: “Wacht effe, ik pak m’n leesbril,” en dan kom ik terug met Cees van Blauw Zwart achter me.
Maar nee hoor. Ze zoeken de Truusjes, de Rietjes en de Corrie’s. Omdat die vriendelijk zijn. Omdat die nog geloven dat de mens goed is.
Nog één keer: je stinkt er zó in. Houd je ogen open. Maar je hart niet dicht. Want een wijk wordt niet koud door het weer, maar door mensen die niet meer naar elkaar omkijken.
Blijf alert.
Sam Babbel








